Herdenking
Sinds 1946 heeft er ieder jaar een herdenking plaatsgevonden in de Cellenbarakken. Tijdens de eerste herdenking werden de Doodencel en het poortje ingewijd. In 1950 werd de gedenkplaat aan de Stevinstraat onthuld door koningin Juliana. Een aantal foto's van herdenkingen, vanaf 1947, zijn te vinden in de Beeldbank van het Nationaal Archief.
Ieder jaar wordt de herdenking gehouden op de laatste zaterdag in september of de eerste zaterdag in oktober. Tijdens de herdenking wordt een herdenkingsrede uitgesproken, er wordt muziek gespeeld, en na een minuut stilte en het Wilhelmus wordt een Stille Gang gehouden langs Doodencel 601, waar kransen worden gelegd. In de cel ligt één van de Doodenboeken opengeslagen. De herdenking eindigt bij de gedenkplaat en het poortje. Hierna is er voor alle deelnemers gelegenheid om gezamenlijk een kopje koffie te drinken, een bijeenkomst die voor vele betrokkenen het karakter van een reünie heeft. Aan de herdenking nemen ieder jaar zon 350400 mensen deel, waaronder een aantal bijzondere genodigden zoals de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer, vertegenwoordigers van het kabinet, de Commissaris van de Koningin, de burgemeester van Den Haag en leerlingen van het Mediacollege van de Johan de Witt Scholengroep, de school die het Oranjehotel als monument geadopteerd heeft. Het Koninklijk Huis geeft gewoonlijk blijk van haar betrokkenheid door het sturen van telegrammen.
De herdenking van 2008 vond plaats op zaterdag 27 september. De herdenkingsrede werd uitgesproken door
drs. W. Bos
bestuurslid en vice-voorzitter van de Stichting Oranjehotel en zoon van gevangenispredikant ds. G. Bos. De tekst van de herdenkingsrede is hieronder opgenomen.
Bij de Stille Omgang langs Doodencel 601 werd de eerste krans gelegd door twee leerlingen van het Mediacollege van de Johan de Witt Scholengroep, Meander van Garderen en Michelle Koot. Enkele verslagen van leerlingen van het Mediacollege vindt u onder deze link.
|
mevr. E.J. Mulock Houwer, voorzitter van de Stichting “Oranjehotel”
Dames en heren, graag heet ik u van harte welkom namens het bestuur van Stichting Oranjehotel. U ziet hier een nieuwe voorzitter die, evenals de andere bestuursleden, een persoonlijke betrokkenheid heeft bij de Tweede Wereldoorlog. Mijn vader is gefusilleerd in 1944 en mijn schoonvader zat enkele maanden in het Oranjehotel en bracht vervolgens bijna 3 jaar in Duitse concentratiekampen door.
Dit is de 63e herdenking,
de eerste was immers in 1946, en opnieuw zijn hier veel mensen aanwezig:
naast enkele oud-gevangenen, nabestaanden en anderen die persoonlijk of
functioneel betrokken zijn bij de betekenis van de Tweede Wereldoorlog.
Precies 60 jaar geleden werd de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens vastgesteld met als kern, ik citeer:
”Een ieder heeft plichten jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije
en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is (…) In
de uitoefening van zijn rechten en vrijheden zal een ieder slechts
onderworpen zijn aan die beperkingen, welke bij de wet zijn vastgesteld en
wel uitsluitend ter verzekering van de onmisbare erkenning en eerbiediging
van de rechten en vrijheden van anderen en om te voldoen aan de
gerechtvaardigde eisen van moraliteit, de openbare orde en het algemeen
welzijn in een democratische gemeenschap”.
De Duitse sociaal wetenschapper Harald Welzer
behandelt in zijn boek ”Daders” de vraag hoe zoveel mensen zich tot
mishandelaars en massamoordenaars konden ontpoppen, niet alleen in
Hitler-Duitsland maar ook in Rwanda en Bosnië. Hij laat zien dat gewone
mensen onder omstandigheden genocide kunnen plegen. De bereidwilligheid om
te doden kan worden aangeleerd. Het denken in abstracte begrippen als “de
vijand”, het “Jodendom” of “de moslims” speelt daarbij een belangrijke
rol. Wat leert dit beangstigend inzicht ons? Het is dan ook verheugend -en wellicht geen toeval- dat juist vandaag de publiekscampagne ”de Week voor de Democratie” is gestart. Voorts wil ik in dit verband graag verwijzen naar een groot TV-voorlichtingsproject over de Tweede Wereldoorlog. Ook dergelijke activiteiten kunnen een bijdrage leveren aan bewustwording en aan het overdragen van het gedachtengoed van Vrijheid en Democratie. Naast het stilstaan bij het objectieve en universele belang van onze grondrechten is er de meer subjectieve beleving van verzet en onvrijheid van diegenen die hier in het Oranjehotel terecht kwamen. Daarom is dit jaar gekozen voor een overdenking, gebaseerd op een ooggetuigenverslag van de bekende dominee Gerrit Bos, verwoord door zijn zoon Wim Bos. De omlijsting wordt geboden door de muziek van de Politiekapel Haaglanden en door 2 gedichten, gekozen en voorgedragen door Minka Kaszó.
De Achttien Dooden voorgedragen door Minka Kaszó
Zij waren eensgezind Herdenkingsrede, uitgesproken door Wim Bos
Het indrukwekkende gedicht "De Achttien Dooden" waarnaar wij geluisterd hebben, geachte toehoorders, herinnert ons aan donderdag 13 maart 1941. Mijn vader –de oud-gevangenispredikant Gerrit Bos– vertelde in 1946, bij de plechtige inwijding van Doodencel 601, over die dag onder meer: “Het is 13 maart 1941. Een koude grauwe dag ligt over het bezette Nederland. Vijftien mannen (die behoorden tot één van de eerste verzetsgroepen “De Geuzen”) hebben zojuist vernomen, dat hun doodvonnis bevestigd is, en dat zij vanmiddag om half vijf zullen worden weggevoerd. Na de afkondiging van hun terechtstelling worden de “Todeskandidaten” één voor één weggeleid en ingesloten in de voorste cellen van de middelste vleugel van het “Oranjehotel.” De schaftkleppen in de celdeuren mogen open, de gevangenen krijgen extra voedsel en rookartikelen, ze mogen met elkander spreken in de laatste uren van hun wegglijdende jonge leven.’s Middags worden er nog drie mannen binnengebracht uit Amsterdam, waar zij aan de stakingen in februari 1941 hebben deelgenomen. Zij zullen met de Geuzen straks voor het vuurpeloton staan”. Op diezelfde 13e maart had Wehrmachts-Oberpfarrer Stolte aan mijn vader gevraagd of hij geestelijke bijstand wilde verlenen aan deze achttien ter dood veroordeelden; de avond daarvoor was hij hierover ook al telefonisch benaderd door Pfarrer Kätzke. Het was eigenlijk heel bijzonder dat de Duitsers hem dit vroegen, omdat hem van hogerhand was meegedeeld, dat hij met ingang van 1 november 1940 onder geen voorwaarde in de “Polizeigefängnis” kon worden toegelaten.
Hij nam het op zich.
Toen de oorlog als een wervelwind over Nederland was
gekomen, en waarschijnlijk voor het eerst in de geschiedenis van de
Scheveningse gevangenis zich het ongewone verschijnsel voordeed dat haar
cellen geen misdadigers, doch uitstekende burgers huisvesting verleenden,
op dat moment besloot mijn vader, samen met de kapelaan Bakker, met de
Duitsers te gaan onderhandelen over voortzetting van contact met de
gevangenen. Bij een bezoek aan de betrokken “Feldwebel” werden beide
geestelijken echter als kwajongens weggestuurd onder het dreigement, dat
ze moesten oppassen om niet zelf achter de tralies te geraken.
Die kerkdiensten werden hier ongeveer linksboven
achter mij gehouden in een als amfitheater ingericht lokaal op de eerste
verdieping, waar een smalle ijzeren trap naar toe leidde. De
gevangeniskerk was een ruimte zonder enig decor, met rijen
eenpersoonshokjes, van voren afgesloten met gaas en van achteren met een
deurtje. De dominee kon de kerkgangers wèl zien en zij hèm ook, maar de
kerkgangers elkààr niet. Vanmorgen zijn ook oud-gevangenen aanwezig die persoonlijke herinneringen hebben aan de contacten met mijn vader. De heer Eusman bijvoorbeeld bespeelde in 1941 enkele keren het orgel in de gevangeniskerk, en de heer Wellenstein herinnert zich nog levendig, dat hij heel blij was met het celbezoek van mijn vader, want na lange tijd stond hij voor het eerst weer eens als méns tot méns tegenover iemand, in plaats van de dagelijkse omgang als gevangene met diens bewaarder.
Mijn vader hield in 1949 een rede over de geestelijke verzorging in het Oranjehotel voor de afdeling Leiden van de EXPOGE. Van gedeeltes daaruit wil ik u graag deelgenoot maken. Hij vertelde toen: “De geestelijke verzorging begon op Tweede Paasdag, 14 april 1941, met de eerste van een gehele reeks van kerkdiensten. De gevangenen waren hierop niet voorbereid; ’s middags om kwart voor drie werden ongeveer 140 mannen op de bekende Duitse manier uitgenodigd, naar de kerk te gaan: de celdeuren werden geopend, en de wachtmeesters schreeuwden naar binnen: “Heraus! Zur Kirche!” Wij begonnen met Psalm 42 vers 1. Van de eerste vier regels was niets te horen. De mannen waren te diep ontroerd, om geluid te kunnen geven. Het volgende vers ging beter: “Ik heb mijn tranen en mijn klagen, tot mijn spijze dag en nacht.” "Deze kerkdiensten vonden regelmatig plaats om de veertien dagen", vervolgde mijn vader. "Een menswaardig gehoor: rooms-katholieken, protestanten van alle kerkelijke richtingen, van uiterst links naar uiterst rechts, en mensen die -zoals gezegd- te voren nog nimmer in een kerk waren geweest. Ik bad steeds ook voor de Duitse wachtmeesters en hun gezinnen. Op een maandag -na een zondag met kerkdienst- zei collega-predikant Van den Bosch (die sinds december 1940 in het Oranjehotel zat) tegen mij: “Je hebt gisteren humoristisch gebeden”. Ik was geprikkeld en zei: “Wat zullen we nou hebben, wat heb ik dan gezegd?” “Je hebt gebeden:”Heer, zegen ook de wachtmeesters, hun vrouwen en kinderen en wil het zo leiden, dat ze spoedig bij hun vrouwen en kinderen teruggekeerd zijn! Na de kerkdienst begon het celbezoek. Dit bestond allereerst uit het uitdelen van Bijbels. Al spoedig vroegen de rooms-katholieken of ik voor hen ook wat wilde doen. Zij wensten bijvoorbeeld missalen en ook vroegen zij -tegen elk verbod in- om rozenkransen. Ik heb toen een moeilijke strijd gestreden als reformatorisch protestant (we hebben het over het sterk verzuilde Nederland van die tijd) maar ik ben er uit gekomen. Ik had er voor te zorgen, dat een ieder zoveel mogelijk in deze zware toestand van gevangen-zijn, zich kon sterken in het geloof of de levensbeschouwing, waarin hij krachtens geboorte en opvoeding was grootgebracht. Niet àlle gevangenen mocht ik bezoeken, alleen hen van wie het vooronderzoek was afgesloten. Dit was aan de buitenkant van de cel zichtbaar aan een roodgekleurd visitekaartje. Zij die een wit kaartje hadden mocht ik niet bezoeken. Maar ze zaten door elkaar! Met toestemming van de Duitse bewakers werden “de witten” zolang op de gang gezet, terwijl ik met “de roden” sprak. Soms moest ik echter “de witten” noodzakelijk spreken, en dan zette ik “de roden” op de gang , en bezocht “de witten”! De Duitsers hebben het nooit gemerkt. Beslist verboden was het om Einzelhäftlinge te bezoeken; zij zaten gevangen in volkomen afzondering en eenzaamheid. Maar ik vond dat dit toch moest gebeuren, want ze hadden het zó zwaar. Dit gebeurde dan bij voorkeur tijdens de middagrust en ’s zaterdagsmiddags: dan was de wacht op halve bezetting, en die dienst hadden, waren half of helemaal dronken. Ik beschikte bovendien over een eigen celsleutel, maar het was gevaarlijk. Eenmaal ben ik bij een Einzelhäftling door de hoogste Duitser in deze gevangenis, Untersturmführer Joch, betrapt; dit was bij Dr. Wiardi Beckman. Het is echter goed afgelopen. (Waarschijnlijk omdat Joch een humaan mens was.) Tijdens de bezoeken in de cel werden mij allerlei verzoeken gedaan. Dit maakte mij tot smokkelaar en koerier. Extra voedsel was wel zeer welkom, vooral boter, kaas, spek. Familieleden van gevangenen bezorgden dit bij mij en het werd naar binnen gesmokkeld. (U ziet dus dat het niet alleen geestelijk voedsel was, dat de dominee verstrekte). Ook verzochten gevangenen die pas verhoord waren mij, een verslag van dit verhoor te willen overbrengen aan hun kameraad, zodat hij hetzelfde op de mouw van de Duitsers zou kunnen spelden. Bovendien was het dikwijls nodig, boodschappen naar buiten mee te nemen voor de illegale werkers en omgekeerd. Niet minder belangrijk was het voor de verzetsgroep om er achter te komen of er mensen uit hun groep waren gearresteerd, en wie. Dit kon ik in de wacht nagaan in het kaartregister, al was het zeer gevaarlijk. Todeskandidaten. Met hen heb ik de meeste en zwaarste uren doorgebracht. Sommigen moesten lang wachten op de beslissing aangaande hun gratieverzoek: ik weet van vier, die acht maanden hebben gewacht! Minstens één keer, vaak twee keer per week bezocht ik ze. Als de beslissing over het gratieverzoek gevallen was en het ergste ging gebeuren, dan was ik tot het laatste bij hen. Dit is met ongeveer 150 het geval geweest.” “Door de Geuzen werd op die 13e maart 1941 af en toe zacht geneuried”, vertelde mijn vader destijds, “totdat ‘s middags om 3 uur duidelijk hoorbaar door het “Oranjehotel” de oude Psalm 43 vers 4 klonk, gezongen door vijftien Geuzentongen, voordat ze naar de Waalsdorpervlakte gebracht werden: “Dan gaan wij op tot Gods altaren”. Na zijn dood in 1954 –hij werd 50 jaar- liet mijn vader o.a. een envelop achter met 11 foto’s van tien mannen en een vrouw, die allen vermoedelijk in het Oranjehotel gevangen zaten. Vier van hen bleken te behoren tot de verzetsgroep “Oranjewacht”. Zij werden op 9 juli 1942 op het Fort Rhijnauwen bij Utrecht gefusilleerd, op verzoek van de slachtoffers niet geblinddoekt.
Wat een kameraadschap toonde Eddy van den Berg -ook
één van hen- die daden van zijn makkers voor zijn rekening nam, waardoor
hij minstens twee levens gered heeft. P.W.G. van de Weijer, ook tot deze
groep gefusilleerden van de “Oranjewacht” behorend, werd op 12 augustus
1940 gearresteerd. Zijn dochter, hier vanmorgen ook aanwezig, vertelde mij
nog niet zo lang geleden, dat Franz Fischer -hij arresteerde haar vader-
tegen haar zei: “Weine nicht, dein Vater kommt heute Abend wieder zurück….”
Vier andere mannen vonden eveneens de dood voor het vuurpeloton. Mijn vader heeft zijn herinneringen aan het “Oranjehotel” tijdens zijn betrekkelijk korte leven, samen met andere zorgen en verdriet, steeds in zijn hart meegedragen. Ik vertelde al eens bij een andere gelegenheid, dat zijn herinneringen hem -op de laatste 4e mei die hij in 1953 zou meemaken- meenamen naar hier, naar het “Oranjehotel”, en dat hij toen met moeite onder woorden bracht waarom hij zo verdrietig was:”Ik moet denken aan één van hen die ik begeleidde naar het vuurpeloton, en die de laatste avond daarvoor in de Dodencel met het hoofd tegen mijn schouder schreide, en zei: “Nu kan ik nooit meer mijn lieve kleine meid onderstoppen als ze slapen gaat….” In haar rede, uitgesproken in 1946 bij de plechtige inwijding van Doodencel 601, de cel waar wij aanstonds weer met eerbied en in respectvolle stilte langs zullen gaan, zei Mevrouw Boon-van der Starp -destijds voorzitter van de Celcommissie-: “De Doodencel 601 is een symbool. Deze is evenals het graf van de onbekende soldaat een gedenkteken, dat spreekt en zal blijven spreken tot allen, die rouwen om een dierbaar kind….een man….een vader….een vriend. Immers, wie vol droefenis denkt aan wat hij of zij verloor, kan voortaan het beeld van de gewijde cel voor zich halen en weten: in die cel, of in precies zo’n cel, was hij….daar streed hij de zware innerlijke strijd….daar bereidde hij zich voor op het ergste….daar dacht hij aan ons, dag en nacht, zoals wij aan hem dachten….daar nam hij afscheid van wat hem het dierbaarste was hier op aarde….”.
“Wat ik persoonlijk het meeste in deze uren heb
geleerd is", aldus mijn vader, "dat àlle verschillen
van kerk- en geloofsvormen en levensbeschouwing in het niet verzinken voor
het aangezicht van de dood. Dàt alleen is belangrijk, en ònbelangrijk, wat
ons in dezen kan scheiden. Ik heb me toen voorgenomen, alles te doen, wat
mogelijk is om, als de oorlog voorbij zou zijn, eensgezindheid in ons
vaderland te bevorderen.“ “Toch heeft het verzet bewezen, dat het kán”, zei hij daarna nog.
De aarde herinnert zich door Minka Kaszó
|
Impressies en de herdenkingsredes van de afgelopen jaren zijn te zien via de onderstaande links