Herdenking

bloemenkransen

Jaarlijkse herdenking

Sinds 1946 heeft er ieder jaar een herdenking plaatsgevonden in de Cellenbarakken. Tijdens de eerste herdenking werden de Doodencel en het Poortje ingewijd; in 1950 werd de gedenkplaat aan de Stevinstraat onthuld door koningin Juliana.

Ieder jaar wordt de herdenking gehouden op de laatste zaterdag in september. Tijdens de herdenking wordt een herdenkingsrede uitgesproken, er wordt muziek gespeeld, en na een minuut stilte en het Wilhelmus wordt een Stille Gang gehouden langs Doodencel 601, waar kransen worden gelegd. In de cel ligt één van de Doodenboeken opengeslagen. Hierna is er voor alle deelnemers gelegenheid om gezamenlijk een kopje koffie te drinken, een bijeenkomst die voor vele betrokkenen het karakter van een reünie heeft. Aan de herdenking nemen ieder jaar zo’n 350–400 mensen deel, waaronder een aantal bijzondere genodigden zoals de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer, vertegenwoordigers van het Kabinet, de Commissaris van de Koningin en de burgemeester van Den Haag. Het Koninklijk Huis geeft gewoonlijk blijk van haar betrokkenheid door het sturen van telegrammen.
Leerlingen van het Mariscollege Belgisch Park, de school die het Oranjehotel als monument geadopteerd heeft, leggen ieder jaar een bloemstuk bij de Doodencel. De muzikale omlijsting wordt verzorgd door de Koninklijke Politiekapel Haaglanden en ondersteuning op velerlei gebied tijdens de herdenking wordt verleend door de Scouting Sint Jorisgroep 5.
Een impressie van een eerdere herdenking is te vinden onder deze link.

 

Herdenking 2017

The English text can be read through this link.

Herdenkingsrede door de heer Mr. A.M.M. Orie,

rechter bij het Joegoslavië Tribunaal

 

 

Vandaag komen we niet samen in de onmiddellijke nabijheid van Doodencel 601, en van het poortje. Velen van U zullen de vertrouwde omgeving waarin herdacht werd missen en dat zal vreemd aanvoelen. De fysieke nabijheid tot die plek waar de gruwelen van de oorlog begaan werden en waar de rechteloosheid heerste heeft altijd een aparte dimensie gegeven aan de Oranjehotel herdenkingen. Graag wil ik met U vandaag stilstaan bij de vraag of de afstand tussen het Oranjehotel en de plaats van samenkomst vandaag inhoudelijk valt te overbruggen of, sterker nog, of beide locaties niet eng verbonden zijn.

 

Het gebouw van het Internationale Strafhof, waar wij vandaag bijeen zijn, ligt vrijwel op de as tussen het Oranjehotel en de Waalsdorpervlakte, vrijwel op de weg die vele gevangenen aflegden naar de plaats van hun executie. Dat waren de slachtoffers, overgeleverd aan de rechteloosheid.

De plek waar wij nu zijn is ook op een andere manier verbonden met de  Penitentiaire Inrichting Haaglanden. Zij die in dit gebouw terecht staan als verdachten zijn nu gedetineerd binnen dezelfde  muren waarbinnen ook het Oranjehotel en Doodencel 601 gelegen zijn. Die gedetineerden worden vermoed de daders te zijn, verantwoordelijk voor de oorlogsgruwelen van recente datum. Rechtsverkrachting van deze tijd. Hirsch Ballin verwees tijdens een eerdere herdenking naar Rwanda, Bosnië en Darfur en dat zijn inmiddels al niet meer de laatste oorlogen waarin daders opstonden en zich bruut aan onschuldigen vergrepen, vaak ongeacht of zij zich verzetten. Geen slachtoffers van rechteloosheid en rechtsverkrachting zonder daders.

 

De zin van herdenken bestaat mede in het levend houden van het bewustzijn van het onrecht, een bewustzijn dat herhaling moet voorkomen. We staan stil bij het leed van de slachtoffers en hun nabestaanden opdat niet opnieuw daders opstaan, opnieuw slachtoffers maken. Wat dat betreft bevinden we ons op een goede plek. Verdachten van oorlogsmisdrijven, genocide en misdrijven tegen de menselijkheid staan hier terecht, in dit gebouw, in deze zaal waar wij nu bijeen zijn. Terecht staan betekent: vaststellen wat zij hebben gedaan, stilstaan bij de gruwelijkheden en het vaak brute geweld dat zij in de marge van het eigenlijke oorlogsgeweld toepasten. Dat is ook een manier van stilstaan bij wat gebeurd is. Daar worden gevolgen aan verbonden in de hoop, van een stellige verwachting durf ik nauwelijks te spreken, dat soortgelijk onrecht niet herhaald zal worden of in ieder geval minder vaak. Berechting voegt een dimensie toe aan de herinnering.

 

De gevangenen van het Oranjehotel hebben namen. Hun geschiedenis is geschreven, vaak door henzelf, op de muren van hun cellen, in de boeken die zij over hun ervaringen schreven en in de registers en documenten die bewaard zijn gebleven. Hun verzetsdaden waren het gevolg van de moeilijke keuze die zij vaak heel bewust maakten. Met alle gevaren van dien stonden zij op tegen het onrecht, gingen zij over tot actie. Zij kozen niet voor de relatieve veiligheid door zich neer te leggen bij wat in veler ogen een niet verder te vermijden realiteit leek te zijn geworden. Die bewuste keuze leidde vaak tot hun gevangenschap en hun dood.  Zij, en de keuze die zij maakten, worden geëerd door hun nabestaanden.

 

Hebben daders ook namen? Is hun geschiedenis, zijn hun keuzes ook beschreven? Daders gaan en gingen vaak op in systemen, in organisaties, in eenheden of in een collectief  en bleven heel vaak  zonder naam. De staat, hun bataljon, hun Lagerleiter, daarachter vertrouwden daders zich veilig te kunnen verschuilen. Binnen dat systeem, die organisatie of die eenheid werden zij niet ter verantwoording geroepen voor hun keuzes. In dit huis, in navolging van Nürnberg, Tokyo en de Bijzondere Rechtspleging in een ver verleden -en het Joegoslavië en Rwanda Tribunaal in recenter tijd- moeten daders ook hun gezicht tonen, worden zij ook bij naam genoemd, wordt nagegaan wat hún keuzes waren. De aansprakelijkheid van het individu staat in dit huis en in het strafrecht centraal. Internationaal stagneerde de berechting van oorlogsmisdadigers na de Tweede Wereldoorlog ongeveer 50 jaar. Staten konden aansprakelijk gesteld worden voor het Internationale Hof van Justitie, in het Vredespaleis, maar daders ontsprongen veelal de dans. Maar tegenwoordig staan weer mensen terecht, mensen die ter verantwoording worden geroepen voor hun keuze voor het gruwelijke onrecht waaraan zij deelnamen.

 

De moedige keuzes die zij, die in het Oranjehotel gevangen werden gehouden, maakten waren individuele keuzes. Mensen met vaak een heel verschillende achtergrond maakten hun eigen keuzes. Hun rang, hun stand, toen wellicht nog van grotere betekenis dan nu, of hun politieke achtergrond, kon heel verschillend zijn. In het gastenboek vinden we verpleegsters, studenten, ambtenaren, kantoorbedienden, bloembollenkwekers, dominees en priesters en broodbakkers. Verbonden door hun persoonlijke moed. Menselijk moed is niet gebonden aan rang. stand en religie, en meestal ook niet aan politieke achtergrond. Dat de verschillen in achtergrond soms ook schaduwzijden had is ook bekend. Mevrouw Withuis sprak daar vorig jaar over.

 

Maar niet alle keuzes die gemaakt werden waren moedig. Corstens heeft eerder gesproken over de teleurstellende keuzes die raadsheren van de Hoge Raad maakten. Het uitblijven van protest tegen het ontslag van hun President Visser en het inzenden van de ariërverklaring vormden het dieptepunt. Dat stond in schril contrast tot de moed van de Raadsheren in het Hof van Leeuwarden, die hun moed om de omstandigheden in kamp Erica in Ommen onaanvaardbaar te verklaren met hun ontslag moesten bekopen. Het spreekt voor zich dat zowel moedige, maar ook minder moedige keuzes een grotere uitwerking hebben als zij worden gemaakt door mensen met een grote maatschappelijk verantwoordelijkheid. Juist van hen wordt een scherp inzicht en bijbehorende moed verwacht. De gevolgen voor getoonde moed waren van hoog tot laag vaak dezelfde. De leerkracht die naar radio Oranje had geluisterd, of de drukker die ’s nachts valse distributiebonnen drukte, kwam evenzeer in het Oranjehotel terecht als de hoogleraar Telders die, ook aan de Hoge Raad overigens, zijn verzet tegen de ariërverklaring luid en duidelijk verkondigde. Ik kom op Telders later nog terug.

 

Ik had het over moedige beslissingen. Daartegenover staan de pertinente verkeerde beslissingen. Maar velen kozen ook niet nadrukkelijk. Maar ook dat is een individuele beslissing die zich moeilijk laat generaliseren. Soms heel begrijpelijk. De drang om te overleven, voor je gezin te kunnen blijven zorgen is een begrijpelijke keuze. Zeker is wel dat mensen in een oorlogs- of bezettings-situatie voor lastige dilemma’s worden geplaatst. Dat verklaart keuzes die wel als laf zijn bestempeld. Maar die dilemma’s vormen nooit een rechtvaardiging voor een apert verkeerde keuze. Niet voor de politieman die gewelddadig ondervraagt, de gevangenbewaarder of gevangenisdirecteur die een brutaal schrikbewind voert of voor de burger die, soms voor geldelijk gewin, zijn joodse medeburgers verraadt en aan geweld overlevert. Zij kunnen zich niet achter de oorlogssituatie verbergen, zij zijn niet door het dilemma klem gezet, met zichzelf in de knoop gekomen. Zij hebben de situatie uitgebuit, hebben in de oorlogssituatie hun kans schoon gezien hun sadisme, hun grenzeloze ambities of hun racistische neigingen bot te vieren.

 

Het was de oorlogssituatie die noopte tot keuzes. De bibliothecaris die de aantekeningen van Boellaard naar buiten smokkelde, een moedige keuze, zou onder normale omstandigheden niet hebben hoeven kiezen. Rechters zouden zonder oorlog niet voor het dilemma zijn geplaatst of zij er juist beter aan deden ontslag te nemen of dat zij het vaderland zouden dienen door wel door te gaan met recht spreken en vervolgens hoe zij dat dan zouden moeten doen. Of je nu onderduikers hielp of juist aangaf, beide keuzes worden gemaakt in een oorlogssituatie waarin er onderduikers zijn. Blijf ik trouw aan elementaire beginselen van menselijkheid, ben ik trouw aan wat mijn morele kompas moet zijn? Kom ik in verzet, fysiek of intellectueel, tegen het onrecht, blijf ik ietwat onzichtbaar neutraal of heul ik met de bezetter en zijn onrecht? Die keuzes golden overigens ook voor de Duitse burger. Sloot hij zijn ogen bewust voor het onrecht dat zich aan zijn netvlies opdrong, hield hij zich als soldaat aan de regels van het oorlogsrecht of gaf hij zich over aan het begaan van oorlogsmisdrijven of gaf hij zijn eigen morele oordeel prijs en liet hij zich uit morele gemakzucht in slaap sussen door het adagium Befehl ist Befehl? Beschouwde hij verzet tegen de “onrechtsorde” (tegenovergestelde van rechtsorde) ten onrechte als verraad?

 

Maar wie beslist dan dat er oorlog is? Wie wordt daarvoor ter verantwoording geroepen? Voor het in het leven roepen van een situatie waarin mensen gedwongen worden tot keuzes die zij in vredestijd niet hoefden te maken. Keuzes die vaak moedig en goed waren –daarvoor zijn wij hier bij elkaar- maar evengoed keuzes die flets waren, laf waren of notoir verkeerd waren. Wie geeft het sein tot die oorlog en kan hij daarvoor ook vervolgd en berecht worden. Of worden alleen de uitvoerders, de Eichmannen die het systeem handhaafden, de Mentens die zich beestachtig gedroegen, bestraft voor hun gruweldaden.

 

Ik ga zo verder op die vraag in, maar neem U eerst mee terug naar Prof Telders, Benjamin Marius Telders, hij die er bij de Hoge Raad op aandrong dat deze het goede voorbeeld zou geven door de ariërverklaring te weigeren. U kent hem vast van de naar hem vernoemde B.M.Teldersweg en de Teldersstichting. Als gevolg van zijn opstelling werd hij op 18 december 1940 gearresteerd. Zijn lijdensweg bracht hem via Buchenwald, Vught en Sachsenhausen naar Bergen Belsen, waar hij 9 dagen voor de bevrijding van dat kamp door de Engelsen overleed.

Ben Telders was jurist. En een liberaal politicus. Maar Telders was ook ietwat naïef. Hij ging er aanvankelijk vanuit dat de Nederlandse ambtenaren onder de Duitse bezetter gewoon door konden functioneren. De naïviteit school daarin dat hij aannam dat de Duitsers zich als ‘nette’ bezetters zouden gedragen, in overeenstemming met het Landoorlogreglement, en dus ook nooit iets van de Nederlandse ambtenaren zouden verlangen dat onwettig was. Het rechtsleven kon op aanvaardbare wijze voortgang vinden. Uiteraard kwam hij er zeer snel achter dat de werkelijkheid een heel andere was . Hij roerde zich al snel en koos een opstelling die de Duitse bezetter als verre van welgezind ervoer. Hij schreef de (toen nog niet ontslagen) President van de Hoge Raad Mr L.E. Visser, dat het tijd was halt te maken met het volgen van hetgeen de Bezetter verlangde. Visser werd kort daarop ontslagen. Telders belandde op 18 december in het Oranjehotel.

 

Waarom liet ik U nader met Telders kennismaken toen ik de vraag stelde of zij die kozen een oorlog te beginnen ook ter verantwoording zouden worden geroepen? Omdat Telders zich over die vraag gebogen had. De oratie van Telders als hoogleraar in Leiden, uitgesproken in 1931, droeg als titel: “De Juridieke Waardering van de Oorlog”. Ik roep dat tijdperk nog even op in uw herinnering. Het Verdrag van Versailles, dat een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog, voorzag erin dat Keizer Wilhelm II terecht zou moeten staan voor het beginnen van die oorlog. Dat gebeurde uiteindelijk niet, al was het alleen maar omdat Nederland hem niet uitleverde. Tot kort voor 1931 was, aldus Telders, volkenrechtelijk  helemaal geen sprake van een verbod op het beginnen van een oorlog. Eerder was sprake van een recht voor een staat om een oorlog te voeren. Toch ziet Telders in de ontwikkelingen na de Eerste Wereldoorlog aanleiding om aan te nemen dat niet alle oorlogen zomaar toegestaan zijn. Er zijn volgens hem inmiddels ook verboden oorlogen. Maar, zo voegt hij daaraan toe: De verboden oorlog is daarmee nog niet tot misdrijf bestempeld.

 

Wel verboden maar geen misdrijf? En dus niet strafbaar? Voor al het leed toegebracht door onrechtmatige gevangenneming, door moord, door onmenselijke behandeling, door marteling -kortom door het hele gamma van misdrijven dat wij uit het Oranjehotel kennen- kunnen wij de individuele daders vervolgen. Het zijn oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid of daden van genocide. Maar voor de keuze door de hoogste politieke of militaire machthebber om een aanvalsoorlog te voeren, een oorlog waarin al die juist genoemde misdrijven gepleegd worden, zou berechting niet mogelijk zijn?

 

De betekenis van de moreel hoogstaande keuzes van de bewoners van het Oranjehotel mag niet onderschat worden. Toch zou het beter zijn geweest als zij nooit voor een dergelijke keuze zouden zijn gesteld. Wat is er niet aan potentie verloren gegaan, wat had er niet geschreven, gebouwd, genezen en handel gedreven kunnen worden, welk lijden had vermeden kunnen worden als de schrijvers, de bouwers, de artsen en de handelaren in een vrije maatschappij met hun medeburgers hadden kunnen functioneren en zij niet voor  keuzes waren geplaats die hen uiteindelijk in het Oranjehotel bracht of, voor de meesten, anderszins hun leven ontwrichtte. De aansprakelijkheid voor het aangaan van een aanvalsoorlog is minstens zo belangrijk als de aansprakelijkheid voor rechteloos geweld binnen die oorlog.

 

De vraag naar de strafbaarheid naar het beginnen van een oorlog is de gemoederen blijven bezighouden. In Tokyo, waar de Nederlands rechter Röling –later polemoloog- een zeer uitgesproken opvatting over het vraagstuk had, en in Neurenberg zijn de Nazi en Japanse kopstukken wel bestraft voor het voeren van een agressieve oorlog. Telders heeft het niet meer meegemaakt dat een verboden oorlog ook strafbaar werd geoordeeld. Toch werd het daarna stil. Vele oorlogen zijn begonnen gevoerd maar de strafbaarheid van de aanvalsoorlog bleef een moeizaam thema.

 

Hoe is de stand van zaken vandaag? Kan hij die de ellende van een oorlog oproept, waarin zo vaak naast het wapengeweld ook marteling, moord gevangenschap aan de orde van de dag zijn, vandaag ook ter verantwoording worden geroepen voor de keuze die hij daartoe maakte? Of blijft het een kwestie tussen staten waarin de individuele aansprakelijkheid van die ene persoon verdwijnt achter het instituut, de staat.

 

Ik verwees eerder naar oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide, waarvoor in veel van de huidige internationale gerechten verdachten worden vervolgd en berecht. Maar in dit huis, het Internationale Strafhof, gaat het om meer, ook over het beginnen van die aanvalsoorlog. In het Statuut van Rome –waarbij het Strafhof is opgericht- is bepaald dat agressie een misdrijf is dat hier berecht kan worden. In beginsel althans. Eerst moest de agressie nog precies omschreven worden. Die hobbel is in 2010 op een conferentie in Kampala genomen. Daarnaast moesten op zijn minst 30 staten akkoord gaan met die definitie agressiebepaling. Ook die hobbel is inmiddels genomen. Nederland zette die stap juist een jaar geleden. Nu is nog nodig dat de staten die partij zijn bij het Internationale Strafhof die regel ook in werking zetten. Die kwestie is geagendeerd voor december van dit jaar. We zijn er dus nog niet en de laatste hobbel zou wel eens de moeilijkste kunnen zijn. Maar ook als die genomen is, zal de vervolging en berechting van het agressiemisdrijf nog aan allerlei beperkingen onderhevig zijn.

 

Op een steenworp afstand van de plek waar we nu zijn vond het onrecht plaats.  Zij die geëxecuteerd zouden worden kwamen langs deze plek. Op deze zelfde plek staan nu ook zij die van recente oorlogsgruwelen worden verdacht terecht. Zij moeten zich verantwoorden voor de individuele keuzes die zij maakten. In dit Internationale Strafhof worden ook de vervolgstappen gezet die ertoe moeten leiden dat ook aanstichters van oorlogen ter verantwoording worden geroepen voor de hoogstpersoonlijke keuze die zij maakten.

Ik vroeg mij in het begin af of er een inhoudelijke brug bestond tussen de plaats van het Oranjehotel en deze plek, of deze zelfs verbonden waren. Zij zijn complementair in het levend houden van de herinneringen. Het benoemen van daders nu, en dat gebeurt hier, geeft nadere invulling aan het beeld van het onrecht, dat wij levend willen houden. Wij willen het beeld van toen, van 40-45, vasthouden. De nieuwe slachtoffers houden zich vast aan wat er in dit huis gedaan wordt. De bestraffing voegt een dimensie toe aan de herinnering. In dit huis wordt ook verder gewerkt aan het bouwwerk van de internationale strafrechtspleging die met de berechting van het misdrijf van de aanvalsoorlog hopelijk binnenkort een nieuwe verdieping heeft. Dit massieve gebouw is symbolisch te zien als een postuum obstakel, in 2016 opgericht op de weg die velen naar hun dood op de Waalsdorpervlakte leidde.