
Herdenking 2002
In 2002 werd de herdenking gehouden op 28 september. De herdenkingsrede werd geschreven door
de heer P.G.J. Molthoff
voormalig voorzitter van de Stichting Samenwerkend Verzet 1940-1945. Wegens ziekte van de heer Molthoff werd de rede uitgesproken door drs. W. Bos, vice-voorzitter van de Stichting Oranjehotel.
|
Herdenkingsrede van de heer P.G.J. Molthoff 28 september 2002 |
|
Geachte aanwezigen, beste vriendinnen en vrienden,
Op vele manieren
is het verhaal van de strijd tegen de bezetter verteld. In
wetenschappelijke studies, ooggetuigenverslagen, romans, films.
En op vele plaatsen vind je het "Oranjehotel" vermeld. Het ging de strijders van toen om herstel van vrijheid en democratie, om verdediging van mensenrechten, om universele waarden! Actuele waarden ook. Waarden die ook vandaag actieve verdediging behoeven. Want ons past nog steeds waakzaamheid. Het hooghouden van die waarden is geen vanzelfsprekende zaak. Natuurlijk, er is vandaag geen sprake van een bedreiging zoals dat in de loop van de jaren dertig het geval was. Hitler, zijn systeem van volkerenmoord en vertrapping van de democratie, hebben verloren, niet in de laatste plaats dank zij de strijdmakkers, die we vandaag hier herdenken. Maar soms lijkt het gedachtegoed dat in dat systeem zijn gruwelijk dieptepunt bereikte, nog allerminst volledig verdelgd. En dan doel ik niet in de eerste plaats op het handjevol tuig dat er met hun zieke geesten behagen in schijnt te scheppen af en toe met nazi-symbolen de straat te bevuilen. Waar ik wel op doel is de veel verontrustender verschijnselen van racisme en vreemdelingenhaat in landen als Oostenrijk en Frankrijk. Natuurlijk houd ik mij verre van de soms wat al te gemakkelijke neiging om deze verschijnselen als fascistisch te bestempelen. Mij baart juist zorgen dat het ijveren voor een harder beleid jegens vreemdelingen bij zo veel fatsoenlijke mensen, oprechte democraten ook, in deze landen nauwelijks op kritische reacties stuit, en zelfs ondersteuning krijgt.
Er moet ons veel
aan gelegen zijn om ons land te behoeden voor dit afglijden naar
een samenleving waarin discriminatie een geoorloofde beleidslijn
dreigt te worden. Het levend houden van de herinnering aan de
jaren van onderdrukking en verzet geeft daaraan naar mijn vaste
overtuiging een stevige impuls. Ik spreek uit ervaring. Jarenlang
heb ik het voorzitterschap mogen bekleden van de Stichting
Samenwerkend Verzet 1940-1945 waarin alle organisaties van
voormalig verzet en vervolgden samenwerken. In die samenwerking
weerspiegelde zich de veelvormigheid van het verzet. Maar vooral
ook de bereidheid om, net als toen, zich in te zetten voor wat we
vandaag noodzakelijk achten. En dat bewoog zich - en beweegt zich
nog steeds - juist op het terrein van het levend houden van de
herinnering aan toen en het leggen van de band tussen dit
verleden en het heden. En niet zonder resultaat! Zo stonden we
samen pal voor het behoud van de vierde en de vijfde mei, een
actie waarbij wij het Nationaal Comité 4 en 5 mei aan onze zijde
wisten. Ook dit jaar weer toen voor de zoveelste keer geluiden te
horen vielen dat het tijd werd beide data in het teken te
plaatsen van vergeten en vergeven.Het voormalig verzet en het
Nationaal Comité hebben er geen twijfel over laten bestaan dat
deze aantasting van de betekenis van de vierde en vijfde mei niet
zou worden geduld. Beide data zijn nationale evenementen. Op de
vierde mei herdenken we ónze gevallenen en op de vijfde mei
vieren we ónze bevrijding. En ik denk dat we juist op dit
terrein, waar het gaat om het overdragen van de ervaringen van
toen, en vooral ook van wat die tijd de generaties van vandaag en
morgen te leren heeft, nog het een en ander bij kunnen dragen. Al
zal dat voor de generatie waartoe ik behoor en dus ook voor de
organisaties van verzet en vervolgden nog maar een beperkte
periode mogelijk zijn. We kunnen in elk geval met vreugde
constateren dat er voor die overdracht in de afgelopen jaren
stevige steunpunten zijn gecreëerd. Ook dank zij de inzet van
het samenwerkend verzet. Ik wijs dan in de eerste plaats op de
tot blijvende traditie geworden herdenking van de vierde mei,
maar ook op de Auschwitz-herdenking, de herdenking van de
Februaristaking 1941 en al die andere herdenkingen, als deze
vandaag, die zullen blijven aansporen tot respect voor wat toen
gebeurde en tot de bereidheid om daarvoor ook in de toekomst pal
te staan. Met dit alles is er een goede grondslag gelegd om tot in de verre toekomst ervan te getuigen wat zich, in het bijzonder ook op deze plek, in het Oranjehotel, heeft afgespeeld.
|
Na de redevoering volgde fluitspel door mevr. C. van der Meulen. Vervolgens werd een declamatie uitgesproken door dhr. W. Bos. Centraal in deze declamatie stond een gedicht van Muus Jacobse:
De Doden
Neen,
onze doden neemt niemand ons af,
zeiden wij tot elkaar: dit grote lijden
maakte ons tot één volk, niemand kan scheiden
die staan verenigd om eenzelfde graf
Hoe
weinig maanden en gij ligt ter zijde ....
Zijn wij voor de herinnering te laf?
Hebt gij vergeefs gestreden? Zal uw graf
onvruchtbaar blijven voor de oogst der tijden?
Ach,wij
zijn klein, die u met bloemen eren,
gevoed door ons herdenken: ach, zij zullen
gelijk uw eigen leven ras vergaan.
Maar
gij, die trouw waart tot de dood, zult keren,
en onze bodem met uw bloei vervullen,
en elke mei waken voor ons bestaan!
Uit: "Vuur en wind". Opgenomen in "Poëzie als wapen", Dr. J. de Gier. 's-Gravenhage, 1990