Herdenking 2003

      

De herdenking van het jaar 2003 werd gehouden op zaterdag 4 oktober 2003. Tijdens de herdenking werd de herdenkingsrede uitgesproken door

de heer E.P. Wellenstein

oud-gevangene van het Oranjehotel. De tekst van de herdenkingsrede is hieronder weergegeven. Deze tekst werd gepubliceerd in het NRC-Handelsblad van zaterdag 4 oktober 2003, onder de kop Nederland was in oorlog geen 'slaapstad'; Laat dodencel 601 in Schevenings Oranjehotel echte 'lieu de mémoire' blijven. Op maandag 6 oktober werd in de Haagsche Courant een artikel aan de herdenking gewijd.

Bij de herdenking waren ook een aantal leerlingen aanwezig van de adoptieschool, het Johan de Witt College Grafisch & Creatief. In het kader van het project "Adopteer een Monument" van de Stichting Februari '41 legden twee leerlingen, Nynke Verhulst en Martijn Zwennes, namens de school een krans bij de Doodencel. Twee leerlingen, Nynke Verhulst en Robbin Vieselman, schreven een korte beschrijving van hoe zij de dag van de herdenking beleefd hebben (de verslagen kunt u lezen via de links onder hun namen).

Een aantal foto's die op deze dag gemaakt zijn, zijn te vinden onder deze link.



Herdenkingsrede

uitgesproken door de heer E.P. Wellenstein, oud-gevangene van het Oranjehotel, op zaterdag 4 oktober 2003

 

   

Mijn herinnering aan deze gevangenis is nu bijna twee en zestig jaar oud. Zo vaak ik kon, heb ik deze herdenkingen bijgewoond, maar ik heb nooit gedacht dat mij nog eens gevraagd zou worden hier de herdenkingstoespraak te houden. Anders dan vele kameraden had ik bij mijn verhoren door de Sicherheitsdienst veel geluk, en duurde mijn gevangenschap niet eens een heel jaar, terwijl de bezetting daarna nog ruim 2½ jaar zou duren, jaren van grote ellende voor veel van mijn lotgenoten. Ook tòen had ik veel geluk, en daarom neem ik het woord hier met schroom. In dit Oranjehotel verbleef ik maar een paar maanden. Maar dat was nièt uitzonderlijk. Want dit was, anders dan het woord “gevangenis” suggereert, geen oord waar men zijn door de Duitsers –vaak zonder enige vorm van proces– opgelegde staf uitzat. Nee, het was (net als het Huis van Bewaring in Amsterdam en de Gansstraat in Utrecht; en vele soortgelijke inrichtingen elders in ons land) een doorgangshuis.  En dat waren dan nog maar minuscule onderdelen aan de rand van een gigantisch systeem van strafinrichtingen, een eilandenrijk verspreid over het hele toen door Duitsland bezette Europa.

En daar zaten niet alleen ongehoorzame, opstandige burgers van de bezette gebieden: Duitsers zèlf waren aanvankelijk verre in de meerderheid. Weinigen weten nu nog dat al in 1933, direct na de machtsovername van Hitler, meer dan 45 duizend van zijn landgenoten (ook zonder enige vorm van proces) in een nieuw soort inrichtingen verdwenen, concentratiekampen genoemd. Hun aantal werd steeds groter, zowel van de kampen als van de gevangenen, ‘Schutzhäftlinge’ geheten. Zij zaten daar immers “zum Schutz von Staat und Volk”, ter bescherming van staat en volk tegen deze ongewenste elementen. Talloze Nederlanders zouden tijdens de bezetting ook deze rechteloze status van “Schutzhäftling” verwerven, waarvan velen tijdelijk in dit Oranjehotel.

Van hier uit ging men meestal al vrij snel naar een andere bestemming: Schutzhäftlinge naar kampen, veroordeelden naar een tuchthuis in Duitsland, of –als wij straks langs cel 601 lopen worden wij daarmee direct geconfronteerd– naar de fusilladeplaats op de Waalsdorpervlakte. Die Waalsdorpervlakte en deze cellenbarakken zijn authentieke gedenkplaatsen: hièr is het gebeurd. De Fransen noemen dat een “lieu de mémoire”, men treedt er als het ware fysiek terug in het verleden.

Dit gebouw is intussen natuurlijk gemoderniseerd. Deze gymnastiekzaal was er niet, ook niet de recreatieruimten waar wij straks langs lopen. Maar het authentieke ligt nog altijd in het binnenkomen door het poortje in de buitenmuur, het lopen door de gangen met de rijen celdeuren, en, vooral, de voetstappen in die gangen: die roepen oude gevoelens terug.

Er zijn plannen om deze cellenbarakken plaats te laten maken voor een nieuw bouwsel; als men cel 601 dan ergens anders in de oude vorm wil neerzetten, zal dat niet meer hetzelfde gevoel geven; het wordt dan een museumstuk, een bezienswaardigheid, waar men het verleden bekijkt,  maar dat verleden niet zelf betreedt: géén “lieu de mémoire” meer. Doch over een aantal jaren zal er ook niemand van de generatie, die hier zelf gezeten heeft, meer over zijn (en dat is waarschijnlijk ook de reden dat de Stichting zich dit jaar tot mij heeft gewend). Dan gaat het ècht om voltooid verleden tijd.

Mag ik daarom, zolang dat nog kan, een paar herinneringen aan mijn toenmalige cel met U delen? Ik moet wel eens lachen om de ophef, nu, over twee gevangenen op één cel. Ik was destijds dolblij toen ik na enige tijd “Einzelhaft” een celgenoot kreeg. Er was weliswaar geen tweede slaapplaats, maar in de overblijvende ruimte kon precies nog een matras op de grond worden gelegd, die overdag op het bed werd gestapeld. Aangezien men overdag toch niet mocht liggen, maakte dat niets uit. De toiletemmer met het houten deksel en het wasbakje werden broederlijk gedeeld, net als de extra’s, biscuits, suiker, die ik na enige tijd van buiten mocht krijgen. Mijn celgenoot kreeg die niet; hij was een communist en stond er dus veel slechter op dan ik. Voor mij, als traditioneel vooroorlogs student van vrijzinnige snit, was dat een kennismaking met een achtergrond waarmee ik anders nooit in contact zou zijn gekomen. Die nieuwe ervaring heeft zich daarna, in het kamp Amersfoort, veelvuldig herhaald. Daar, voor het eerst in onze toen strikt gescheiden levende zuilenmaatschappij, kwam ik in contact met politieke en maatschappelijke achtergronden waarvan ik eerder maar een vaag, of helemaal geen, idee had gehad.

Om het chaotisch karakter van die gedwongen samenleving te illustreren noem ik verschillende categorieën “Häftlinge” in het kamp Amersfoort willekeurig voor u op; men kon er zijn buren en zijn dagelijks gezelschap immers ook niet kiezen. Zo ontmoette men daar niet alleen politieke gevangenen, maar ook zwarthandelaren, beroepsinbrekers, clandestiene slachters en –speciaal doelwit van de SS– arme zigeuners. Men trof er notarissen, artsen, dominees, pastoors, kapelaans, arbeiders, ambtenaren, studenten, politiemannen, professoren, middenstanders, militairen, bestuurders. En van alle gezindten: communisten (de oudste bewoners van het kamp, dat in de zomer van 1941 geopend was), leden van confessionele partijen, sociaal-democraten, liberalen, revolutionairsocialisten, Jehova’s getuigen, enz. En dan, een categorie helemaal apart –zonder dat Auschwitz toen nog een begrip was….– onze Joodse medeburgers, die nog veel hardvochtiger behandeld werden dan de anderen, op een wijze die wij ondanks verhalen daarover voordien niet voor mogelijk hadden gehouden. En ook, dieptepunt van menselijke ellende, de Russische krijgsgevangenen, waarvan het restant tenslotte even buiten het kamp werd afgemaakt. In zo’n omgeving doen leeftijd of maatschappelijke achtergrond er niets meer toe; men is slechts bezig de dag zo ongeschonden mogelijk door te komen. Voor menigeen werd het te veel: het wàs gewoon ook te veel, in dat ‘Polizeiliches Durchgangslager’ Amersfoort in 1942. Zòzeer dat de kampen in Duitsland klaagden over de wrakken, die men vandaar aangeleverd kreeg.

In een gevangenis of tuchthuis was dat anders: men was opgesloten, maar had een dak boven het hoofd, kreeg te eten –misschien niet veel, maar men gebruikte weinig energie. Menselijk contact was dan een rijkdom. Celgenoten in die tijd, daar kon men bijna vast op rekenen, waren  gelijkgezinden in één toen allesoverheersend opzicht: de afkeer van en het verzet tegen het nationaal-socialistische régime. Zo sloot ik een warme vriendschap met mijn communistisch celgenoot. Ik kon hem ook een beetje helpen als hij tijdens zijn verhoren fysiek zeer hard aangepakt was. Ik zag hem later nog één keer terug, in het kamp; kort daarna werd hij gefusilleerd. Verdere menselijke contacten waren in het Oranjehotel schaars; even bij het luchten, maar daar mocht niet gesproken worden.  Morseseinen via het buizenstelsel hadden niet veel om het lijf, want bijna niemand kende de seinen; het bleef bij het V-teken: . En dan waren er de contacten door de muur: met onze lepels krabden wij, naast de plek waar het muurtafeltje bevestigd was, onzichtbaar vanuit het kijkgaatje in de celdeur, een gleufje. In de éénsteensmuur was dat al gauw een smal gaatje, en daardoor kon men, met de mond of het oor vòòr dat gleufje, gesprekken voeren me de buurcel. Daar kwam niet veel zinnigs uit: hoe vaak heb ik daardoor gehoord dat de oorlog een definitieve wending ten goede had genomen! De Turken hadden zich aan de zijde van de geallieerden geschaard, de Duitsers waren hier of daar verpletterend verslagen, de Japanners uit de Indische archipel teruggedreven, niets was dit geruchtencircuit te dol, verstoken als wij waren van iedere andere informatie. En dan waren er tussentijds ook de minder welkome menselijke contacten, met de ondervragers van de Sicherheitsdienst, op het Binnenhof, of in de gevangenis zelf, waarbij het soms heel hard toeging. Mijn celgenoot kon daarvan meepraten………….

Zo ging dag na dag na nacht voorbij, wachtend op betere tijden, die voor zeer velen hier nooit gekomen zijn. Scheveningen was slechts een doorgangshuis, op weg naar Amersfoort, naar Westerbork, later naar Ommen en vooral Vught, en vandaar –als men niet, via een proces, na een reguliere veroordeling in een vaak hard, maar relatief veilig tuchthuis belandde– naar Buchenwald, Neuengamme, Dachau, Mauthausen, Natzweiler, Sachsenhausen, Strutthof, Oswieczim, Treblinka, Bergen-Belsen, Dora………. Naar één van die talloze plekken des onheils waar het Reichssicherheitshauptamt van Himmler met zijn kamp-SS’ers onbeperkte macht uitoefende.

Het Oranjehotel was een verzamelplaats vòòr de lange tocht door de nog volgende jaren van de oorlog, als die tocht al niet door een veel te vroege dood werd onderbroken.

Een tocht van Nederlanders van alle leeftijden en van alle mogelijke verschillende achtergronden, die hier, voor het eerst van hun leven, onder één dak, allen hetzelfde lot delend, samen verbleven, zonder onderscheid van afkomst of gezindheid. Dit historische feit, dat wij vandaag samen herdenken, en de redenen die zovele Nederlanders hier deden belanden, passen slecht in het beeld van de bezettingstijd dat tegenwoordig hier en daar opgeld doet. Dit beeld is pakkend verwoord in de titel van het recente boek van C. van der Heijden: “Grijs verleden”, over een samenleving zonder reliëf, die zich met zo min mogelijk risico door de bezettingstijd heen manoeuvreerde.

Mag ik terzake van deze beeldvorming tot slot uw aandacht vragen voor een passage in een ander recent boek, “Kamp Amersfoort”,  dat bij de jongste herdenking van de bevrijding van de hand van Mw. Dr. Von Frijtag Drabbe Künzel verschenen is? In haar inleiding beschrijft deze historica hoe, vanaf de studentenstakingen van november 1940 en de Februaristaking van 1941, openlijke demonstraties van verzet plaats maakten voor de georganiseerde illegaliteit. En zij voegt dan toe:

“Deze ontwikkelingen verontrustten de Duitse autoriteiten. Het heden ten dage zo gangbare beeld van bezet Nederland als een slaapstad met rustige, passieve en dociele inwoners was nièt het beeld dat zij (de Duitse autoriteiten dus) indertijd hadden”.

Nu, dat tegengestelde beeld van Nederlanders onder de Duitse bezetting, dat Mw. Von Frijtag uit Duitse historische bronnen opmaakt, doet beter recht aan de eerst honderden, al spoedig duizenden en steeds meer duizenden, die hier en elders gevangen zaten, dan sommige eigentijdse Nederlandse geschiedschrijving.

Het is daarom goed, Dames en Heren, zolang dit gebouw nog bestaat, met die éne cel 601 nog in de oude toestand, hier jaarlijks met jongere generaties bijeen te komen en te beseffen dat de kleur “grijs” hier absoluut niet bij past.