Herdenking 2004

   

De herdenking van het jaar 2004 werd gehouden op zaterdag 25 september. Tijdens de herdenking werd na het openingswoord door dr. D. Dolman de herdenkingsrede uitgesproken door

mr. J.P.H. Donner

Minsiter van Justitie en kleinzoon van een oud-gevangene. De tekst van het openingswoord en de herdenkingsrede is hieronder weergegeven. 

Bij de herdenking waren ook een aantal leerlingen aanwezig van de adoptieschool, het Johan de Witt College Grafisch & Creatief. In het kader van het project "Adopteer een Monument" van de Stichting Februari '41 legden twee leerlingen namens de school een krans bij de Doodencel. Twee leerlingen, Jorien van Silfhout en Darwin van den Brink, gaven in een korte beschrijving weer hoe zij de dag van de herdenking beleefd hebben (de verslagen kunt u lezen via de links onder hun namen).

 

   
 Het openingswoord door de voorzitter van de Stichting Oranjehotel, 
dr. D. Dolman
 

O lieflijkheid van lucht en land 
Van Hollands vrije kust 
Eens door den vijand overmand 
Vond ik geen uur meer rust. 

Beste vrienden! 
 
Wij zijn weer bijeen aan Hollands vrije kust, op de plaats waar zij die geen rust vonden, tot stilzitten en afwachten waren gedwongen. 
Lieflijk en rustig zijn hier lucht en land. Weinig is veranderd nadat de spijkerlaarzen en de geweerschoten verstomden. Scheveningen is niet meer de badplaats van de haute volée, maar de duinen bleven ongerept en de gevangenis van 2004 staat er als in 1944 of in 1914. 
Wij gedenken ieder jaar, iedere dag, de meest gedenkwaardige jaren in het leven van onze grootouders, onze ouders, onszelf. Terecht verrezen door heel Nederland duizenden monumenten en memento’s: op plaatsen waar oorlogs- en verzetsslachtoffers hadden geleefd, gewerkt, gestreden; op plaatsen ook midden in onze steden en dorpen, het hart van onze lokale en nationale trots. 
Maar het meest authentiek zijn de gedenktekenen die niet behoefden te worden opgericht, die overbleven: de brug van Arnhem, de Hollandse Schouwburg, de kampen van Westerbork, Vught, Amersfoort. En cel 601. 
Na de bevrijding overheerste enige tijd het gevoel dat zweren moesten worden uitgesneden, bedekt, verwijderd. Weldra echter brak het inzicht door dat schuldbesef moet prevaleren boven schaamte, dankbaarheid boven afschuw. 
Onze vrijheidsstrijd, dat is het kogelgat in de muur van het Prinsenhof. De desintegratie van ons volk, dat zijn filmsterplaatjes in het Achterhuis. Zijn weerbaarheid, dat is het morgenlicht door 't hoge venster. Hier, bij Hollands vrije kust, waar de rusteloosheid is verstild, waar bevroren is het vuur van verzet.

 

 

De herdenkingsrede, door de Minister van Justitie, 
mr. J.P.H. Donner

"24 uur in de cel, alleen onderbroken doordat driemaal per dag het voedsel wordt doorgeschoven, met de verorbering waarvan slechts enige minuten zijn gemoeid, - het lijkt eindeloos. Geen licht, zodat men in het avond- en nachtdonker zich (ondanks mijn horloge) niet aan de tijd kan oriënteren, het is, vooral voor een slecht slaper als ik, 'n bezoeking.…… Het meest benauwend was uiteraard, dat het volkomen onzeker was, hoe lang het zou duren en hoe het zou aflopen." Zo beschreef mijn grootvader zijn verblijf van enkele maanden hier in de gevangenis in 1941. En hij had nog een behandeling 'met onderscheiding'; hij mocht zijn horloge en zijn Bijbel houden. 
Wij zijn hier bijeen om te herdenken. Om terug te denken aan wie hier in de jaren '40 tot '45 verbleven. In het bijzonder aan die 215 die hier de laatste dagen van hun leven zaten, voordat zij hun gang gingen door het poortje en werden omgebracht. Anderen begonnen hier aan een tocht waar zij niet van terugkeerden. En van wie wel terugkeerden, waren er weer voor wie de ervaring en herinneringen aan die tijd een leven lang een steeds zwaardere last werden. Velen hadden bewust gekozen voor hun handelen en de risico's daarvan aanvaard, anderen waren buiten hun toedoen door omstandigheden betrokken geraakt, weer anderen waren toevallige 'omstanders'. In tijden van rechteloosheid bekommert men zich weinig over subtiliteiten als recht, schuld en medeplichtigheid; het geweld slokt allen op. 
Deze herdenking is geen onderdeel van de bevrijdingsherdenkingen in Mei. Terecht. Want wat wij vandaag gedenken is meer dan een aspect van oorlog. Naakt geweld, onrecht, willekeur, dood en leed, ze zijn inherent aan een oorlog. Maar de moed en geestkracht om nee te zeggen; om niet gewoon door te gaan ook al is dat mogelijk, maar uit overtuiging en met risico voor eigen leven te doen wat geboden is en anderen te helpen en te bemoedigen, zijn dat niet. Moed die meestal in eenzaamheid moest worden opgebracht. De moed om in georganiseerd, militair verband te strijden, is een andere dan die om met enkelen verzet te bieden in een wereld die schijnbaar gewoon doorleeft; om enkel op grond van overtuiging aan te treden en de strijd aan te gaan, ook als niets er op wijst dat het iets uitmaakt en niets uitzicht biedt op een goede afloop. Die moed gedenken wij vandaag en die is niet inherent aan oorlog, dus verdient zij het ook om los daarvan te worden herdacht. 
Herdenken doen we met wie hier zaten en het overleefden, met hun vrienden, hun nabestaanden of met andere overlevenden. Hun aantal wordt kleiner. Volgend jaar is het zestig jaren geleden dat de oorlog eindigde en daarmee de verschrikking van bezetting; van het rechteloos en willekeurig vastzetten, en van het ombrengen van mensen die hun overtuiging meer gehoorzaam waren dan de dreiging met geweld en moord. Het herdenken verandert met de tijd. Vorig jaar stond hier de heer Wellenstein die uit eigen herinnering kon putten. Ik ben alweer de tweede generatie van nazaten en kan slechts uit overlevering putten. Wij moeten lezen of horen wat anderen uit ervaring weten. Waar zij moed, geestkracht en volharding betoonden en keuzen maakten die nu nog respect afdwingen, moeten wij leven met de vraag: 'en wat zou ik gedaan hebben'. En wie nu denkt: 'ik zou het net zo gedaan hebben' bewijst geen moed, maar overmoed. Achteraf is het makkelijk om het goede te kiezen. 
Herdenken in de zin van terugdenken - het in gedachte herbeleven en herinneren - neemt onvermijdelijk af naarmate steeds minder mensen de oorlog en bezetting nog uit directe ervaring kennen, en de herinneringen achter de horizon van de tijd vervagen. Want de herinneringen wegen wel steeds zwaarder, maar het zijn er steeds minder die zich herinneren. De slachtoffers, zij gingen het eerst. De daders en hun omgeving, zij vergeten het snelst. En wie er bij stonden en het lieten gebeuren, zij vergeten liever. Zo blijven slechts wie overleefden met herinneringen - die soms te ondragelijk zijn om te delen - en met de vraag: waarom ik niet? Als herdenken dan ook blijft steken in terugdenken, zullen oorlog en bezetting na het verdwijnen van de laatste overlevenden tot papier en archief zijn verworden. Zoals de 18e juni, de slag bij Waterloo, is vergeten; een datum die de hele 19e eeuw werd gevierd als 5 mei nu. 
Herdenken moet daarom meer zijn dan terugdenken; het moet ook eren zijn. Eren wie hier werden vastgehouden, gemarteld, weggevoerd of gedood; al die duizenden, afkomstig uit alle lagen en zuilen van de samenleving, die hier in kleine cellen, aan smalle, weerkaatsende gangen werden opgesloten, vernederd, mishandeld, en erger. En met hen alle anderen die weigerden zich neer te leggen bij bezetting, onrecht en onmenselijkheid, en bereid waren zonodig voor die overtuiging te sterven. 
Eren, omdat we dankzij hen, onszelf onder ogen kunnen komen. We hebben de vrijheid aan onze bevrijders te danken. Maar aan wie hier zaten, hebben we ons zelfrespect te danken. Niet de afloop van de oorlog of ons herdenken geven betekenis aan hun moed, volharding en trouw. Dat zij werden betracht ook zonder dat die uitkomst zeker was, ook zonder dat men wist of het ooit herdacht zou worden; dat geeft betekenis aan wat zij deden. En geeft het ons de kans om onszelf onder ogen te komen. Wie dat niet ziet, lette op de herdenking van de aanslag van Von Stauffenberg in Duitsland; het geeft een volk het gevoel niet, of niet geheel aan de verkeerde kant van de geschiedenis te hebben gestaan. Want zo heroïsch was die tijd niet. We rolden er in, we leefden er door, en slechts een minderheid was actief betrokken bij het verzet. Maar juist zij maken een ongebroken identificatie met het verleden mogelijk. Want we identificeren ons niet met wie vervolgd werden, of wie slachtoffer was van willekeurige represailles. We identificeren ons met wie een keuze had en de kracht van een overtuiging om te kiezen; niet kiezen voor risico's, maar voor wat juist en geboden was ondanks de risico's. Daarvoor past dank en eer. 
Er is hier een 'lieu de mémoire' opgericht, een monument om te herinneren: de Dodencel, het poortje, een plaquette. Maar niet wij wijden deze plaats aan hun herinnering; dat hebben zij gedaan door hun voorbeeld. Het is aan ons die herinnering levend te houden door hen niet slechts te herdenken, maar ook te gedenken. Herdenken is het verleden oproepen. Gedenken is het verleden voor ogen houden en in het heden toepassen met het oog op de toekomst. Gedenken doen we om te leven; om te overleven. Want gedenken doe je niet als nabestaande van de slachtoffers of de daders of de omstanders. Gedenken doen we als nabestaande van zowel de slachtoffers, als de daders, als de omstanders. Want van ieder zijn we erfgenaam. Als mensen, als samenleving, waren we in staat tot verdrukking en vernietiging. We hebben het gedaan, ondergaan of over onze kant laten gaan. Daar zullen we verder mee moeten leven. Maar we waren ook in staat tot verzet en trouw tot het uiterste. Dat herdenken we vandaag en zullen we morgen en iedere dag moeten gedenken. 
Maar hoe gedenk je oorlogsgeweld, de rechteloosheid van de bezetting en de verschrikking van de Shoah. We willen maar al te graag de grote lessen trekken; over vrede, vrijheid, verdraagzaamheid en verzet tegen onrecht. Die stellen we ons heilig voor ogen, en we beloven elkaar plechtig waakzaamheid tegen racisme, haat en genocide. Te recht. Maar het vervalt te vaak in het veroordelen van ieder onrecht en alles waar we oprecht tegen zijn, als gelijk aan de rechteloosheid of een begin van de systematische vernietiging zoals de bezetting die kende. Dat miskent het fundamenteel andere, het duivels karakter van het kwaad toen, en van de moed die nodig was om nee te zeggen, al helemaal toen er nog geen zicht op een goede uitkomst was. In gewone tijden kan men het ongewone niet tot norm of maatstaf maken; dat bagatelliseert het verleden en miskent het alledaagse van het heden. Men probeert in de huid te kruipen van wie hier zaten, maar eindigt met hen ons gezicht op te zetten. En hoe vaker we waarschuwen des te meer verslapt de waakzaamheid. 
Wie gedenken dan ook zoekt in het voorkomen of veroordelen van vergelijkbare situaties maakt er een 'ver van mijn bed' show van. Het is dan een kwestie van buitenlands beleid en van het veroordelen van het gruwelijke elders. Daarbij zullen we steeds te laat zijn. Want de vernietiging doet zich in steeds weer andere vorm voor; heeft zich in andere vorm voorgedaan en we hebben het niet kunnen voorkomen: Cambodja, Joegoslavië, Ruanda. 
Het gedenken van wie hier zaten, moet zich minder richten op de omstandigheden waaronder zij kwamen en meer op de geestkracht die hen hier bracht. Want ook toen zagen velen het onrecht en het kwaad wel. Maar het waren er maar weinigen die weigerden om zich neer te leggen bij wat onvermijdelijk leek; die niet verstomden bij gebrek aan perspectief; die niet verlamd raakten door vrees voor de risico's; die niet ontmoedigd werden door de macht van het getal. Zij traden aan, gedreven door geloof, overtuiging of verantwoordelijkheid; omdat ze niet anders konden of omdat er een beroep op hen werd gedaan. Dat zijn kwaliteiten die in ongewone tijden zwaar worden beproefd; en helder schijnen. Maar ze zijn niet minder nodig in gewone tijden; ook al schitteren ze dan minder. 
Als we dan gedenken wie hier zaten, moet het om die kwaliteiten gaan. En dat is niet overbodig. Want nog steeds dreigt, waar handelen geboden is, dat mensen zich opsluiten in onverschilligheid omdat de wereld slecht is, de mens niet voor rede vatbaar en beide niet te verbeteren zijn. En als we al mogelijkheden zien, kijken we liever verwijtend naar de eigen overheid of andere landen, dan dat we zelf doen. En een helder zicht op goed en kwaad verdwijnt steeds vaker achter relativisme, procedurele waarborgen en verlegenheidsbeginselen. 
De wereld is er niet eenvoudiger op geworden. Traditionele oriëntatiepunten voor goed en kwaad, voor spreken of zwijgen, voor doen of berusten, vervagen. We leven in een overgangstijd, waarin keuzen minder helder zijn. We voelen ons bedreigd, onveilig en economisch onzeker. Verdraagzaamheid, verantwoordelijkheid voor en compassie met de ander, alsook de bereidheid de medemens het voordeel van de twijfel te geven, verdwijnen snel onder invloed daarvan. De dreiging van terrorisme zet verdraagzaamheid, respect voor verschil en humaniteit verder onder druk. 
Maar in '40-'45 was de wereld minstens zo verwarrend; gesproken werd van een nieuwe orde waaraan men zich maar moest aanpassen. Pas later werd duidelijk hoe te kiezen; waar het historisch gelijk lag. Wie hier zat, moest kiezen zonder die duidelijkheid. En hun keuzen vonden geen steun in de wereld of in de stroom der geschiedenis. Toch kozen ze, en vonden daarbij oriëntatie in innerlijke overtuiging en een beeld van een andere samenleving. Dat bood houvast, en daardoor konden zij anderen houvast bieden en zin geven aan wat zij zelf deden. Zoals de gevangenispredikant Bos het ooit zei: "De strijd van hen die vielen is zinvol geweest, hun strijd vindt niet zijn zin in de resultaten, maar in hun geloof en idealen." "Zij waren eensgezind", zegt de plaquette buiten. 
In het hervinden van die eensgezindheid in de samenleving, het herwinnen van een besef van gemeenschappelijke bestemming, is het ware gedenken gelegen van wie hier zaten. Dat is hard nodig. Want in verwarrende tijden dreigt vrees ons handelen te gaan beheersen en worden tegenstellingen in de samenleving aangescherpt. Maar als alles aan veiligheid en zekerheid ondergeschikt wordt gemaakt, komt de samenleving in een spiraal van wederzijds wantrouwen, onderling onbegrip en uiteindelijk ook van toenemend geweld. Zekerheid in de vorm van veiligheid, werk, gezondheid en toekomst, is essentieel. Het moderne bestaan en samenleven is dan ook op steeds meer tastbare zekerheden gebouwd. Maar tastbare zekerheden zijn nooit duurzaam betrouwbaar. Steeds zullen ze weer tekortschieten en nieuwe onzekerheden scheppen. Dan scheppen we nieuwe en betere zekerheden, maar daarmee nemen ook de risico's en gevolgen van falen toe. Het is als een dijk die bij iedere dreigende overstroming hoger wordt gemaakt; maar als ze dan toch bezwijkt, zijn de gevolgen des te groter. Hoe meer zekerheden, des te onzekerder voelt het bestaan, en des te meer zekerheden behoeven we. Zo scheppen we steeds nieuwe risico's en bouwen steeds hogere 'muren' en meer 'wachttorens' om ons daartegen te beschermen. En die houden meestal in dat we ons meer van de ander afschermen. Uiteindelijk dreigt alles en iedereen daar ondergeschikt aan gemaakt te worden. 
Ontkomen aan de logica van dat denken vergt een oriëntatiepunt. Want als het handelen niet in perspectief wordt gezet en daardoor wordt begrenst, gaat ons denken met ons doen aan de haal in consequente redeneringen; dat voert tot de duivel. Het hervinden van eensgezindheid over een gemeenschappelijk besef waar we als samenleving mee bezig zijn, vergt gelijke kwaliteiten als van wie hier 60 jaren geleden zaten. Mensen die betrokkenheid bij de samenleving stellen tegenover onverschilligheid; die uit kracht van overtuiging handelen, ook al is er geen zicht op een goede afloop; die zich niet neerleggen bij wat onvermijdelijk lijkt, maar het vertrouwen hebben dat iedere daad gewicht in de schaal legt; die zich niet door dreiging laten afschrikken, maar de gevolgen van hun keuzen aanvaarden -ook al zijn die nu van een andere orde dan toen. 
We herdenken hier vandaag wie hier in de jaren '40 tot '45 verbleven, en eren hen voor wat ze deden en wat ze gaven. Maar we gedenken ze door ons morgen en iedere volgende dag te laten inspireren door hun geestkracht en moed. Alleen zo houden we de herinnering aan hen levend.