Herdenking 2006

   

In 2006 heeft de herdenking plaatsgevonden op zaterdag 30 september. De herdenkingsrede werd uitgesproken door

de heer W.H. De Beaufort

oud-griffier van de Tweede Kamer. De tekst van deze rede vindt u hieronder. Vier van de leerlingen van het Mediacollege van de Johan de Witt Scholengroep die de herdenking hebben bijgewoond hebben een verslag geschreven, dat u kunt lezen door op hun naam te klikken: Irvin Van den Houdt, Jorien van Silfhout, Laurie Heskes, Ricardo de Jong.

 

 

Openingswoord
van dr. D. Dolman, voorzitter van de Stichting “Oranjehotel”



Beste Vrienden

En die stroom rijst al meer en meer, van boeken over de periode die, hoe vaker beschreven, hoe onbegrijpelijker, lamlendiger en heroïscher wordt. Sinds ons vorige samenzijn verscheen van Jolande Withuis: “Na het Kamp”. Ik citeer de paragraaf over het Oranjehotel:

“Voor veel Nederlanders is deze Scheveningse strafgevangenis het eindpunt geweest. De jongens Boissevain wachtten er hun executie af; één van hen schreef op de muur van zijn cel het oude familiemotto: “ni regret du passé, ni peur de l’avenir”. Jan Haken hoorde vanuit zijn cel hoe een vriend van hem werd gefolterd; de man bezweek na een dag zonder iets te hebben prijsgegeven. Pim Boellaard, in de overtuiging de volgende dag te zullen worden gefusilleerd, oefende in het eervol ondergaan van zijn executie: “Vreemd gevoel ineens, om voor een vuurpeloton te moeten staan. Eigenlijk heel eenvoudig. Stilstaan en wachten. Kun je dat? Ik ga in de houding staan. Twee meter vanaf het kijkgaatje in de deur en kijk er strak naar. Denk je in, dat het de loop van een geweer is, kun je je beheersen en “Leve de Koningin” roepen? Ik zeg hardop tegen mijzelf: “Ja, ik kan het”…..”

Boellaard zat later gevangen in Natzweiler en Dachau, waar de Amerikanen hem bevrijdden. Bill Minco ging door Mauthausen en Auschwitz, voor de Russen hem bevrijdden. De een zou 97 jaar worden, de ander 83. Hij overleed, betreurd door ons allen, dit jaar. In Israel is voor hem een klein bos geplant. Zij as is op zijn verzoek uitgestrooid op de Waalsdorpervlakte. In maart 1941 was hij, de geus-scholier, nog geen achttien. Vijf jaar alter schreef hij:

We zaten in de cel en dachten……
Aan kans op nieuwe vrijheid en geluk……
Toen ging de celdeur knarsend open……
Na negen dagen eindelijk dit geluid……
Toen las de oudste mof met monotone stem
Dat wegens hunne wel zeer jonge jaren
Deze drie begenadigd waren, en met klem
Zei hij, dat de führer hen wilde sparen.

Boelaard spelde Koningin met een grote K, Minco zette führer in f-klein. Twee letters zeggen meer dan vele woorden. De beulen verdienen verachting. Boekstaven doen wij de daden van onze doden.

Nooit beter is dat verwoord dan door Prof. Cleveringa, toen hij op 26 november 1940 zijn ambtgenoot Meijers eerde:

“Het enige wat ik begeer is de bezetter uit het gezicht en beneden ons te laten en uw blik te richten naar de hoogte waarop de lichtende figuur staat van hem wien onze aanwezigheid hier geldt”.

Richten wij onze blik dan naar de hoogte waarop de lichtende voorbeelden staan wien onze aanwezigheid hier ieder jaar en onze gedachten elke dag gelden! 

 

Herdenkingsrede van de heer W.H. de Beaufort,
Oud-griffier der Tweede Kamer der Staten Generaal

Trots in plaats van relativering

Foto’s. Worden er nog foto’s gemaakt van baby’tjes, van bruiloften? Of eigenlijk: worden er nog foto’s ingeplakt in albums? Bekijkt u wel eens uw eigen oude foto’s? En de foto’s die uw ouders en grootouders maakten bij belangrijke momenten in hun leven? Toen ik twee jaar geleden met pensioen ging, had ik me voorgenomen orde aan te brengen in dozen met zwart - wit herinneringen. Maar – zoals dat een gepensioneerde al te gemakkelijk vergaat – ik werd afgeleid en liet me afleiden.

Mijn grootouders waren trots op hun kinderen en dus trof ik in hun albums hun afbeeldingen. Die van mijn oudste oom als kind met zijn ouders in de bergen en die van de andere oom in marine-uniform in Indië. En in een album van de andere grootmoeder: foto’s van háár jongste zoon op het strand, hier in Scheveningen. Met de herinneringen aan die drie jonge mensen ben ik opgegroeid. Alle drie kwamen ze in deze gevangenis terecht. Een gevangenis, een plaats die in niemands toekomstdromen, in niemands carrièreplanning voorkomt. Zelf kreeg ik in 1939 de namen van mijn vader die toen gemobiliseerd was. Mijn in 1941 geboren broer werd Lodewijk Anne Rinse Jetze genoemd naar zijn oom die zes maanden eerder was gefusilleerd op de Bussumer heide. In 1942 werd diens oudere broer Gerard en werd ook Binnert, de broer van mijn vader, gearresteerd. Ook zij zouden de bevrijding niet meemaken: Gerard omgekomen in het kamp Natzweiler en Binnert neergeschoten in de Kalverstraat in Amsterdam, anderhalf jaar na zijn ontsnapping uit deze gevangenis.
 


Vragen

Ik heb u deze persoonlijke achtergrond genoemd omdat die een inleiding en een aanleiding is tot vragen die sommigen van u zich ook wel eens zullen hebben gesteld. Hoe zouden die jonge mensen oud zijn geworden? Maar dat is nog een eenvoudige vraag, een vraag die onze fantasie af en toe prikkelt en die wij vervolgens van ons af kunnen schudden. Dat kunnen we niet doen met de vraag hoe wij - nabestaanden of niet – moeten denken over mensen die in de oorlogsjaren hun leven waagden en hun leven gaven. Voor mij persoonlijk komt daar de vraag bij, waarom ik pas zo laat in mijn leven hierover ben gaan denken. Voor een deel is dat te verklaren door de houding van degenen die terugkeerden uit kampen, de houding ook van de mensen die hun betrokkenheid bij het verzet overleefden. Dat waren vaak mensen van weinig woorden. Zij konden of wilden ons niet helpen met het beantwoorden van die vraag. Misschien herkenden zij zich in het gedicht van Adama van Scheltema dat Dominee Bos eens gebruikte bij zijn preek voor de gevangenen hier:

Min de stilte in uw wezen,
Zoek de stilte die bezielt.
Zij die alle stilte vreezen
Hebben nooit hun hart gelezen,
Hebben nooit geknield.

In stilte zaten mijn beide oude grootouders elke dag even voor het beeldje dat ze ter herinnering aan hun zoons hadden laten maken. En wanneer mijn andere grootmoeder op Kerstavond het verhaal voorlas, dat haar zoon had gewijd aan een Kerstavond in deze gevangenis, dan volgde ook stilte. Er werd véél niet gezegd over wat ieder gedaan en gelaten had in de vijf jaren van de bezetting. Oude Joodse vrienden spraken niet over hun weggevoerde familieleden. Pas veel later heb ik me gerealiseerd dat de eerste etappe van dat wegvoeren, de treinreis van Amsterdam naar Westerbork, langs ons huis in Baarn voerde. Ook oude vrienden die de bezetter hadden gesteund, werden daarop niet aangesproken. Pas veel later heb ik begrepen hoe hun kinderen de schuld mede moesten dragen. Ik heb een drager van de Militaire Willems Orde leren kennen die vertelt over wat anderen deden en daarbij geheel voorbij gaat aan zijn eigen rol. Zelfs toen mijn grootvader als rechter moest oordelen over oorlogsmisdadigers kwam het verband met zijn persoonlijke ervaring bij ons thuis niet aan de orde. Pas veel later, uit de geschiedenisschrijving door Hinke Piersma over de Drie van Breda, vorig jaar verschenen, heb ik dat verband begrepen. Juist de meest wezenlijke ervaringen van volwassenen, van hún volwassenen bleven voor kinderen verborgen.

Natuurlijk, we legden elk jaar bloemen op 4 mei en ik merkte dat de ogen van mijn grootouders vochtig werden wanneer het Wilhelmus werd gespeeld. En natuurlijk, Lou de Jong en andere historici hebben de feiten beschreven. En nogmaals natuurlijk, Theun de Vries heeft ons het leven verteld van het meisje met het rode haar en andere schrijvers deden dat voor andere verzetsmensen. Aan boeken geen gebrek. Films volgden. Immers: avonturen, spanning, romantiek. Misschien is het voor jonge mensen makkelijk om daarmee te volstaan, om te denken dat ze met dat beeld van de geschiedenis een vorige generatie kunnen begrijpen. Maar jonge mensen worden oud en dan blijkt dat beeld toch niet voldoende om een keuze te verklaren die leidde tot gevangenschap, kamp en executie. Die vraag stellen zich mijn twee nichtjes, de dochters die één van de ooms achterliet en die vraag mag bij een herdenking niet worden ontweken. Met de afstand in de tijd lijkt die vraag zelfs klemmender te worden door de vele relativeringen die boeken, films en studies brachten. Ik wil er drie van noemen.
 


Drie Relativeringen

Floris Bakels die met mijn oom Gerard in het kamp had gezeten, betwijfelt op verschillende plaatsen in zijn boek Nacht und Nebel, of het verzet enig effect heeft gehad, enig verschil heeft gemaakt. En Lou de Jong concludeert in zijn deel 5 dat het inlichtingenwerk practisch geen enkele steun heeft kunnen bieden aan de strijd van de geallieerden. Inlichtingen verzamelen en doorgeven dat was het werk waarbij mijn ooms waren betrokken. Moet ik nu, 62, 63 jaar later, concluderen dat hun offer geen zin had?

Een tweede relativering vloeit voort uit alles wat er in de wereld na 1945 is gebeurd. In de jaren sinds de bevrijding hebben zich in Europa en elders nieuwe oorlogen, nieuwe bezettingen, nieuwe terreurdaden en nieuwe schendingen van de menselijke waardigheid voorgedaan. Zij geven een gevoel van mislukking, van vergeefsheid. In voorgaande herdenkingen in deze zaal is dat wrang geconstateerd. Inderdaad, de nieuwe directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie heeft gelijk als ze zegt dat er méér ijkpunten zijn dan de Tweede Wereldoorlog. Maar relativeert het vele nieuwe kwaad de schanddaden en de terreur die Nederland troffen tussen mei 1940 en mei 1945? Relativeert het dan ook de betekenis van degenen die zich keerden tegen die schanddaden en die terreur?

Ik wil hier vandaag echter vooral reageren op een derde vorm van relativeren. Andere studies, nieuwe eerlijkheid vragen immers aandacht voor de vele grijstinten. Die grijstinten kunnen makkelijk worden aangewezen op wereldschaal. Niet alle geallieerden waren steeds geallieerd. De Sovjet-Unie sloot een verdrag met het Duitsland van Hitler. Italië koos pas in 1943 de kant van de geallieerden en daardoor heeft dat land, zoals de nieuwe directeur van het NIOD ook opmerkte, een geheel andere herinnering aan de oorlog dan wij. Maar grijstinten worden nu ook ruimschoots in ons eigen land gezien in het gedrag van Nederlandse burgers. “Collaborateurs” blijken op sommige momenten de goede zaak te hebben gediend zodanig dat we die aanduiding met zijn negatieve lading niet meer gebruiken. Dichters, prinsen, Nobelprijswinners worden van hun voetstuk getrokken. Er blijkt een brede zone te liggen tussen “goed” en “fout”. Moeten degenen die wij vandaag herdenken ook in dié relativering worden meegenomen?

Mijn grootouders hebben het opkomen van dit debat niet meer beleefd. Maar ik neem aan dat hun werkelijkheid daardoor niet zou zijn aangetast net zo min als dat voor Floris Bakels het geval was. De wens van de laatste 15 jaar om de werkelijkheid van verschillende kanten te bezien blijkt ook bevestiging en erkenning op te leveren. Dat gebeurt bijvoorbeeld op de wijze die in andere landen al direct na 1945 overheidsbeleid was. Gebouwen die getuige waren van strijd of stille moed krijgen steeds vaker gevelstenen, overal in het land, ook in de Haagse Reinkenstraat bij mij om de hoek. Kamp Amersfoort werd aangewezen als monument. Vorig jaar zijn in Amsterdam en in Westerbork in indrukwekkende uren de namen genoemd van alle vermoorde Joodse medeburgers. Een recente, imposante publicatie over de Erebegraafplaats in Bloemendaal bevat biografieën van allen die daar een laatste rustplaats vonden. Laten we ons niet aanpraten dat zakelijke geschiedsschrijving geen ruimte laat voor de morele invalshoek.
 


Het geweten

Kennelijk heeft de relativering geen vat op ons diepste gevoel. Dat diepste gevoel hoeven we niet verborgen te houden. Afkeer van grote woorden kan ook doorslaan. Diepe verontwaardiging mág geuit worden. Er bestáát onrecht. Er bestáát menselijke waardigheid. De overval in 1940 wás een schanddaad zonder weerga in onze geschiedenis. Het tot officieel beleid verheven racisme wás een kwaad zonder weerga in onze geschiedenis Het schamper afgeven op democratische procedures wás zonder weerga in onze geschiedenis. Bij die oordelen maken we geen voorbehoud en dus hoeven wij geen enkel voorbehoud te maken bij de erkenning van degenen die wij vandaag herdenken. Integendeel. Er is alle aanleiding om ons te verheugen over het feit dat in de periode 1940 – 1945 in alle rangen en standen van ons land mensen opstonden die het niet namen, mensen die luisterden naar iets wat we niet anders kunnen noemen dan hun geweten. Geen relativering kan daar iets aan afdoen. Specificatie doet afbreuk aan dat motief. Natuurlijk: voor God en het vaderland! Natuurlijk: uit afschuw van het vele moorden! Natuurlijk: voor de Koningin, voor de rechtstaat, voor de democratie! Staat u mij toe om al deze uitleg van gemaakte keuzes te zien, als een verwijzing naar het geweten.

Ik gebruikte het woord “verheugen” omdat wij in Nederland niet snel zeggen dat we trots zijn op onze daden. Juist op dit moment mag echter dit woord “trots” mischien wel gebruikt worden. De 25 landen verenigd in de Europese Unie verkeren in een fase van bezinning over hun nationale identiteit. Die bezinning is niet alleen nodig om de politieke en constitutionele verhoudingen in de EU een nieuwe basis te geven maar ook om te weten wat we aan nieuwe burgers van onze landen eigenlijk bieden en wat wij van hen verwachten. Daarbij is niet kennis van de preciese text van het Wilhelmus van belang maar inzicht in de “hoogtepunten, breuklijnen en crisissymptomen die uniek zijn voor Nederland”, een formulering die Professor J.A.A. van Doorn onlangs gebruikte. Ik heb zelf in mijn beroepsbestaan niet geaarzeld om bij tal van gelegenheden trots te zijn op onze democratie omdat die vroeger en nú de vergelijking met andere landen ruimschoots doorstaat. Bijvoorbeeld in de mate van openbaarheid en toegankelijkheid voor de media. Diversiteit van de media zelf was er van de Gouden Eeuw tot nu en dus ook in de illegale pers.

Bijna elk element dat we aarzelend benoemen als belangrijk in de Nederlandse traditie, komt terug in de strijd tegen de bezetter. Bijvoorbeeld onze verbondenheid met het water. Wij zijn daarmee zo vertrouwd dat we die verbondenheid niet herkennen in het mooie woord “onderduikers”. Maar voor degenen die de bezetting overleefden, “ondergedoken” in nieuwe polders, hebben die, toen recente, droogmakingen een plaats in hun eigen levensgeschiedenis. “Doorvaren”, zo heet het monument dat Wessel Couzijn maakte voor de 4500 zeelieden die in de oorlog zijn omgekomen. “Doorvaren” dat is niet spectaculair, misschien zelfs niet heldhaftig maar het is wel een eigenschap die ons door goede en slechte tijden heeft geholpen. Wij hoeven niet terug te gaan naar Michiel de Ruyter of Leeghwater of Lely om figuren te vinden die ook nu nog inspiratie geven. Van enkelen die in Bloemendaal liggen begraven zijn de namen algemeen bekend en ik vertrouw dat zij dat blijven maar in elk van de 371 levensverhalen in het eerder door mij genoemde boekwerk vinden we voorbeelden die het verdienen om genoemd te blijven.

Een ander begrip dat we in Nederland zo mogelijk nog meer vermijden dan “trots”, is het woord “held”. Juist het misbruik dat de nationaal socialistische ideologie heeft gemaakt van die titel en het wel erg royale gebruik ervan in de Sovjet-Unie, doen ons aarzelen. Niet alleen in oorlog, niet alleen in militaire actie, is heldhaftigheid mogelijk. Misschien mogen we deze eigenschap herkennen in ieder die, al is het maar in enkele momenten van zijn leven, goed en kwaad weet te onderscheiden en dan iets doet, zonder te vragen naar de kans op succes. Dat waren er veel meer dan wie in Bloemendaal is begraven. Vandaag en op deze plaats is het niet onbescheiden om tróts te zijn op de 763 personen van wie de namen staan ingeschreven in het Doodenboek Oranjehotel 1940 – 1945 en, op alle anderen van wie we de namen niet kennen die in de dodencel op de voltrekking van een vonnis hebben gewacht.

Foto’s. Heldhaftigheid wil niet worden gefotografeerd. Het geweten laat zich niet fotograferen. “In deze bajes zat geen gajes, maar Hollandsch glorie, potverdorie.” Hollands glorie laat zich niet fotograferen. Het geluid van een trein, de gedachte aan de mensen in die trein en hun bestemming, die zijn niet in een album te bewaren. Werkelijke betekenis, werkelijke zingeving zit in ons hoofd en in ons hart, in het hoofd en het hart van politici en bestuurders, jonge mensen van nu, in het hoofd en het hart van degenen die hier over tien jaar tesamen komen om te herdenken. Degenen die wij herdenken handelden toen het nodig was. Wanneer we hen tot voorbeeld willen nemen, dan vraagt dat het optimistisch vertrouwen dat die drang tot gewetensvol handelen ook vandaag in ons allen aanwezig is en dat zal blijven.

Willem Hendrik de Beaufort