Herdenking 2007

   

  De herdenking van 2007 vond plaats op zaterdag 6 oktober. De herdenkingsrede werd uitgesproken door

mevr. E. Borst-Eilers

bestuurslid van het Nationaal Comité 4 en 5 mei, oud-minister van VWS. De eerste krans werd gelegd door leerlingen van het Mediacollege van de Johan de Witt Scholengroep. De tekst van de herdenkingsrede is hieronder opgenomen; enkele verslagen van leerlingen van het Mediacollege vindt u onder deze link.

 

 

Vrijheid en verantwoordelijkheid

Toen de Duitsers ons land binnenvielen, was ik 8 jaar. Ik woonde in de Rivierenbuurt in Amsterdam, een buurt met veel Joodse bewoners. Beneden ons woonde een jong, Joods echtpaar, voor wie ik vaak als “sabbat goj” fungeerde, door op vrijdagavond het licht voor ze aan te doen. Op 6 augustus 1942 werden ze tijdens een razzia voor onze ogen meegenomen door de Grüne Polizei. Mijn ouders en ik stonden machteloos toe te kijken: het was de eerste keer dat ik mijn vader zag huilen.
De hele bezettingsperiode bleef ik die machteloze toeschouwster. In 1941 had ik mijn vele Joodse klasgenootjes naar een aparte school zien vertrekken. Op 12 maart 1945 werd ik, op weg naar school, aangehouden op het Weteringplantsoen. Samen met andere voorbijgangers, kinderen en volwassenen, werd ik gedwongen om te kijken naar de executie van 12 politieke gevangenen uit het Huis van Bewaring.
Met de laatste oorlogswinter kwam de honger. Beschaamd stalen wij uit door Joden verlaten woningen hout voor onze noodkacheltjes. Het schamele voedselrantsoen vulden we aan met suikerbieten en met tulpenbollen, waar mijn moeder op dat noodkacheltje nog heel eetbare koekjes van bakte. Maar ik bleef ernstig ondervoed en eind maart werd ik op advies van onze huisarts naar verre familie op een boerderij in Noord-Holland gebracht. Dat heeft mijn leven gered. In redelijke gezondheid kon ik in mei onze bevrijders toejuichen.

De bezettingstijd meemaken als kind: dat betekende dat je niet de moeilijke keuze hoefde te maken: de keuze tussen held, verrader of stille toeschouwer. Maar dát er helden onder ons waren, drong in die jaren wel geleidelijk tot mij door. De mannen en vrouwen die zich tegen de bezettende vijand durfden te keren, die sabotage pleegden, een bevolkingsregister opbliezen, Joodse medeburgers hielpen onderduiken, díe mensen werden mijn helden, en dat zijn ze nog steeds.
Velen van hen hebben die heldenmoed met hun leven moeten bekopen, zoals de geëxecuteerde gevangenen uit het Oranjehotel die wij hier jaarlijks herdenken. Zij stierven voor ónze vrijheid.

Herdenken is geen vrijblijvend ritueel. Het is méér dan een moment van herinnering, verering en dankbaarheid. Zoals Herman von der Dunk het eens formuleerde: “Herdenken krijgt zijn betekenis pas als het een maat voor ons inhoudt, als we iets herkennen: een houding die als kompas kan dienen, méér dan de letterlijke inhoudelijke doelstellingen, ideeën en uitgangspunten van hen die wij herdenken. Het gaat om de onslijtbare inspiratie die uitgaat van ruggengraat tonen en moedig handelen in een kritische of levensgevaarlijke situatie, omdat daarbij, onttrokken aan de tijdelijke historische context, onvergankelijke waarden manifest worden.”

Zo is iedere herdenking ook een confrontatie met ons zelf, als individu, maar ook als collectief, als gemeenschap.
Want dat overbekende zinnetje:” zíj stierven voor ónze vrijheid “, dat rolt ons ieder jaar in mei wel zo makkelijk van de lippen, maar wat betekent dat eigenlijk voor óns, vandaag en in de toekomst? Wat hebben wij gedaan met de vrijheid die de verzetsmensen, samen met onze bevrijders, ons hebben geschonken? Hebben we die vrijheid goed gebruikt?
Zeker, wij hebben onze vrijheid gekoesterd en bezongen. Wij hebben ervan genoten, het sterkst degenen die de vijf jaar onvrijheid in Nederland aan den lijve hebben ondervonden. Zoals Jacques Bloem het verwoordde in het gedicht “Na de bevrijding”: “en niet één van de ongeborenen zal de vrijheid ooit zó beseffen”.
En ieder jaar víeren we op 5 mei onze herwonnen vrijheid, met bevrijdingsfestivals in het hele land, en dan zeggen we tegen elkaar dat onze vrijheid het kostbaarste is wat we bezitten. En dat menen we ook. Maar, nogmaals: hebben we onze vrijheid ook goed gebruikt? Hebben we haar gedeeld met anderen, of hebben we haar voor ons zelf gehouden, en gedacht dat de rest van de wereld zijn eigen vrijheid maar moet regelen?

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei, waar ik sinds 2003 deel van uit maak, probeert al jaren om de betekenis van de 5 mei viering te verbreden, zodanig dat die “dag van de vrijheid” ook voor volgende generaties een dag van betekenis zal blijven: niet alleen een jaarlijks feest, maar óók een jaarlijkse dag van bezinning, bezinning op de vraag: wat zijn wij aan onze vrijheid verplicht?
Oud-premier Ruud Lubbers beantwoordde in zijn 5 mei lezing van 2006 die vraag heel kernachtig als volgt: “Vrijheid is: ook ánderen vrijheid gunnen en ons daarvoor inzetten.”
Ook jongeren zijn met dit probleem bezig. Ieder jaar betrekken wij een aantal jongeren bij de voorbereiding van 5 mei. En ook bij hen blijkt de vraag te leven of vrijheid verplichtingen meebrengt en hoe ver die reiken. Dit jaar schreef één van hen: “Houden wij, burgers van Nederland, het gevoel van vrijheid en veiligheid voor onszelf, of heeft het ook betekenis naar buiten en zou het eigenlijk “grenzeloos” moeten zijn?”

Het is niet verbazend dat deze vraag bij zoveel mensen leeft. De wereld heeft immers de laatste zestig jaar geen dag zonder oorlog gekend. Wij Nederlanders leefden dan wel al die jaren in vrede en vrijheid, maar de media toonden ons iedere dag beelden van mensen elders in de wereld die lijden onder onvrijheid en onderdrukking. En op diverse plaatsen maakt oorlogsgeweld dagelijks vele slachtoffers.
Uit het opinieonderzoek dat het Nationaal Comité jaarlijks laat doen, blijkt dat 80% van de Nederlanders zich daar grote zorgen over maakt. Oorlog staat, naast terrorisme en milieubederf, elk jaar in de top drie van wat men als de grootste problemen in de wereld beschouwt. Uit het onderzoek blijkt ook dat er voor herdenken en vieren op 4 en 5 mei een breed draagvlak bestaat. Het belangrijkste aan 4 mei vindt men: stil staan bij de gevolgen van oorlog, vroeger én nu. Het belangrijkste aan 5 mei vindt men dat het een moment is om te beseffen dat vrijheid niet vanzelfsprekend is, maar verantwoordelijkheid vraagt.
In de woorden van “Het lied van deVrijheid”, dat Thé Lau enkele jaren geleden in opdracht van het Nationaal Comité componeerde,: “... vrijheid wordt bevochten op een oorlog die nooit slaapt”.
De conclusie van onze jaarlijkse enquête is dus duidelijk én verheugend: in Nederland leeft bij velen het besef dat vrijheid verantwoordelijkheid vraagt én dat wij onze vrijheid moeten delen.

Maar hoe moeten wij aan dat besef concreet inhoud geven?
Dat is zonder twijfel de moeilijkste vraag van allemaal.
Vrijheid delen betekent dat Nederland zich moet inspannen om ook elders in wereld de vrijheid van mensen én de vrede te bevorderen. Na de Tweede Wereldoorlog zijn de rechten van de mens en de autonomie van naties vastgelegd in nieuwe internationale verdragen. Interventie in een ander land is alleen toegestaan op humanitaire gronden, en pas nadat daarover in de Verenigde Naties overeenstemming is bereikt. Die nieuwe internationale rechtsorde heeft aan de ene kant redelijk gewerkt, zoals Jan Pronk in zijn 5 mei lezing van dit jaar concludeerde. Ik citeer: “Binnen het nieuwe kader kon gestreefd worden naar de verandering van regimes, onder binnen- en buitenlandse druk, zonder de wereldvrede in gevaar te brengen. Zo konden in Midden- en Oost-Europa, in Zuid-Afrika en in Latijns Amerika zonder gewelddadige interventie processen van democratisering op gang komen. In bijna al deze landen resulteerde dat in meer vrijheid en een betere bescherming van de burger.”(einde citaat)
Maar, zoals Pronk ook benadrukte, deze vooruitgang is maar een deel van het verhaal. In veel landen woeden immers herhaaldelijk of bij voortduring gewelddadige oorlogen, vaak ogenschijnlijk van binnenlandse aard, maar in werkelijkheid meestal ook gesteund van buitenaf. En in tal van andere landen leven in mensen dan wel niet in oorlog, maar wel in onvrijheid, onderdrukt door een regime dat bij voortduring hun grondrechten aantast.

Wie dit wereldbeeld op zich in laat werken wordt al snel overvallen door een gevoel van diepe machteloosheid. Er lijkt geen beginnen aan om overal ter wereld vrijheid, veiligheid en vrede te realiseren. De woorden :”dát nooit weer”, die we op 4 mei zo vaak in volle overtuiging uitspreken, lijken eigenlijk nergens op te slaan als we verder kijken dan Nederland en Europa.
Toch moeten we ons niet door die gevoelens van machteloosheid laten overmeesteren. Als iedere Nederlander dat tijdens de Duitse bezetting had gedaan, was deze gevangenis leeg gebleven en had de bezetter het heel wat gemakkelijker gehad. De opdracht, die de verzetsmensen ons met hun levensoffer hebben meegegeven is, nooit op te houden met het verdedigen van fundamentele menselijke waarden, hoe hopeloos de situatie ook lijkt te zijn. Blijven vechten voor de vrijheid van anderen is dan ook een onontkoombare verplichting, dat was ook de conclusie van de sprekers op de laatste drie 5 mei vieringen: Kroonprins Willem Alexander, Ruud Lubbers en Jan Pronk.
Natuurlijk kan Nederland in zijn eentje niet veel voor elkaar krijgen. Daarom doen we al jaren mee aan internationale vredesmissies, op diverse plaatsen in de wereld.
Maar er is meer. Om effectief internationale druk uit te oefenen, zijn sterke politieke machtsblokken nodig. De EU is zo’n machtsblok. Naast haar economische betekenis, is de EU eerst en vooral een succesvol vredesproject gebleken. Na eeuwen van onafgebroken oorlogen tussen Europese landen heerst er nu al 60 jaar vrede op ons continent: een nieuwe, unieke situatie.
Door hun nieuwe eenheid hebben de burgers van Europa ook een nieuwe, gezamenlijke verantwoordelijkheid: voor het behoud van vrede, veiligheid en mensenrechten in het eigen continent, maar ook voor een sterke rol van Europa bij het realiseren van die waarden elders in de wereld. Mijn indruk is, dat we op dit punt méér zouden kunnen doen. In plaats van te mopperen over Europese regelgeving (waar de lidstaten bij hun volle verstand zelf vóór hebben gestemd) en te steggelen over al dan niet een vlag en een volkslied in het nieuwe verdrag, zouden we onze tijd beter kunnen besteden aan het effectief inzetten van de invloed van het machtsblok Europa voor het streven naar vrede en veiligheid elders in de wereld. Dat is verre van gemakkelijk, en het betekent een proces vol tegenslagen, maar het is wél de moeite waard, en ieder succesje is er één.

Dames en heren, beste vrienden,
Ik ben een groot voorstander van jaarlijks herdenken, ook hier, in het Oranjehotel. Maar als we de glans van verzet en bevrijding na 60 jaar en verder willen behouden, zal dat herdenken méér moeten zijn dan stilstaan bij het verleden, het zal óók moeten zijn wat Peter Kooymans ooit heeft genoemd: een toekomstgerichte verwerking ván dat verleden.
Ik wil deze toespraak graag eindigen met een citaat van diezelfde Peter Kooymans uit 1995:
“Herdenken –stilstaan in de tijd– heeft zin indien men stilstaat bij datgene wat anderen bewogen heeft zich in te zetten voor behoud van de menselijke waardigheid op een tijdstip dat het al bijna te laat leek om de aanslag op de meest fundamentele waarden nog te keren, maar voor wie onmacht geen argument was om zich passief op te stellen. Herdenken –stilstaan in de tijd– heeft zin als men vervolgens bereid is vastberaden voorwaarts te gaan teneinde de menselijke waardigheid –de kern van onze beschaving– te beschermen tegen de aanslagen die er thans op worden gepleegd.”