Het geluidsbestand (3 megabyte) wordt geladen. Dit kan even duren.


 

 

De Achttien Dooden

voorgedragen door Minka Kaszó

 

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van lucht en land,
van Hollands vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust;
wat kan een man, oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdelen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar 't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloekb’re schennershand
het anders heeft begeerd,

voordat die eeden breekt en bralt
het misselijk stuk bestond
en Hollands landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie; -
zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar-
verwerpt al wat hij biedt of bood
die sluwe vogelaar!

Gedenkt, die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk - ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk -
er komt een dag na elken nacht,
voorbij trekt ied’re wolk.

Ik zie, hoe 't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt-
mijn God, maak mij het sterven licht-
en zoo ik heb gefaald,
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw genâ,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de loopen sta……..

Jan Campert (1902 - 1943)