Het geluidsbestand (21 megabyte) wordt geladen. Dit kan enkele minuten duren.

 


 

Zij waren eensgezind

Herdenkingsrede, uitgesproken door Wim Bos

 

Het indrukwekkende gedicht "De Achttien Dooden" waarnaar wij geluisterd hebben, geachte toehoorders, herinnert ons aan donderdag 13 maart 1941. Mijn vader –de oud-gevangenispredikant Gerrit Bos– vertelde in 1946, bij de plechtige inwijding van  Doodencel 601, over die dag onder meer: 

Het is 13 maart 1941. Een koude grauwe dag ligt over het bezette Nederland. Vijftien mannen (die behoorden tot één van de eerste verzetsgroepen “De Geuzen”) hebben zojuist vernomen, dat hun doodvonnis bevestigd is, en dat zij vanmiddag om half vijf zullen worden weggevoerd. Na de afkondiging van hun terechtstelling worden de “Todeskandidaten” één voor één weggeleid en ingesloten in de voorste cellen van de middelste vleugel van het “Oranjehotel.” De schaftkleppen in de celdeuren mogen open, de gevangenen krijgen extra voedsel en rookartikelen, ze mogen met elkander spreken in de laatste uren van hun wegglijdende jonge leven.’s Middags worden er nog drie mannen binnengebracht uit Amsterdam, waar zij aan de stakingen in februari 1941 hebben deelgenomen. Zij zullen met de Geuzen straks voor het vuurpeloton staan”.

Op diezelfde 13e maart had Wehrmachts-Oberpfarrer Stolte aan mijn vader gevraagd of hij geestelijke bijstand wilde verlenen aan deze achttien ter dood veroordeelden; de avond daarvoor was hij hierover ook al telefonisch benaderd door Pfarrer Kätzke. Het was eigenlijk heel bijzonder dat de Duitsers hem dit vroegen, omdat hem van hogerhand was meegedeeld, dat hij met ingang van 1 november 1940 onder geen voorwaarde in de “Polizeigefängnis” kon worden toegelaten.

Hij nam het op zich.
Wat moet ik doen? Wat  moet ik zeggen tegen deze mensen?”, las ik in zijn aantekeningen. En hij gaf daarmee aan met wat voor vragen hij worstelde, nu hij voor zo’n onnoemelijk zware taak kwam te staan.
Waarom vroegen ze dit aan hèm?
Het antwoord luidt: Mijn vader werd in 1936 beroepen bij de Nederlands Hervormde Kerk in Den Haag, en twee jaar later werd hij ook “Bajesdominee”. Hij had dus, voordat de Duitsers er introkken, al contact met deze strafgevangenis en haar bewoners. Hoe hij het uiteindelijk na veel moeite gedaan kreeg dat hij ook aandacht mocht besteden aan de geestelijke verzorging van de àndere politieke gevangenen, verliep als volgt: 

Toen de oorlog als een wervelwind over Nederland was gekomen, en waarschijnlijk voor het eerst in de geschiedenis van de Scheveningse gevangenis zich het ongewone verschijnsel voordeed dat haar cellen geen misdadigers, doch uitstekende burgers huisvesting verleenden, op dat moment besloot mijn vader, samen met de kapelaan Bakker, met de Duitsers te gaan onderhandelen over voortzetting van contact met de gevangenen. Bij een bezoek aan de betrokken “Feldwebel” werden beide geestelijken echter als kwajongens weggestuurd onder het dreigement, dat ze moesten oppassen om niet zelf achter de tralies te geraken.
In september 1940 kwam het toeval mijn vader echter te hulp: een Duitse gevangenenbewaakster –Frau Oberin, een vrome, katholieke vrouw uit Krefeld- klaagde namelijk haar nood bij de “Feldwebel” over het gebrek aan geestelijke verzorging van de gevangenen. Deze stem werd wèl gehoord, en zo gebeurde het, dat mijn vader verzocht werd om bij de rechterhand van Rauter te verschijnen, de Generaal-majoor Dr. Wilhelm Harster; hij was de hoogste autoriteit van de Duitse politie in Nederland, zetelend op het Binnenhof in Den Haag.
Een merkwaardig gesprek volgde. De Duitser stelde namelijk de vraag: “Wat denkt u van het nationaal-socialisme?” Mijn vader meende zijn plannen reeds in duigen te zien vallen, toen hij het enig mogelijke antwoord gaf: “Ik ben tegenstander van het nationaal-socialisme en ik zal het bestrijden, waar ik kan”. Harster glimlachte. “Dat wisten we al. We wilden het alleen uit uw eigen mond horen. Desondanks hebt u toestemming”.
Daarmee kreeg mijn vader de gelegenheid om kerkdiensten te houden en gevangenen in hun cel te bezoeken.

Die kerkdiensten werden hier ongeveer linksboven achter mij gehouden in een als amfitheater ingericht lokaal op de eerste verdieping, waar een smalle ijzeren trap naar toe leidde. De gevangeniskerk was een ruimte zonder enig decor, met rijen eenpersoonshokjes, van voren afgesloten met gaas en van achteren met een deurtje. De dominee kon de kerkgangers wèl zien en zij hèm ook, maar de kerkgangers elkààr niet.
Deze kerkdiensten werden ook bezocht door gevangenen die nog nimmer in een kerk waren geweest. Ik las bijvoorbeeld, dat Nico Wijnen een kerkdienst bijwoonde van mijn vader, die in zijn preek ook felle kritiek op de bewakers leverde. Hij vertelt:”Als die kerels hem maar enigszins hadden kunnen verstaan, hadden zij hem zeker “eingesperrt”. Bos was roekeloos moedig.”(….) “Eén keer is Ds. Bos bij mij in de cel geweest”, aldus Wijnen. ”Hij wist dat ik communist was. Hij heeft noch over godsdienst noch over politiek met mij gesproken. Voornamelijk sprak hij over mijn leven, mijn beroep, mijn toekomstplannen. Hij sprak mij moed in. Hij vervulde puur de rol van vertrooster”. 

Vanmorgen zijn ook oud-gevangenen aanwezig die persoonlijke herinneringen hebben aan de contacten met mijn vader. De heer Eusman bijvoorbeeld bespeelde in 1941 enkele keren het orgel in de gevangeniskerk, en de heer Wellenstein herinnert zich nog levendig, dat hij heel blij was met het celbezoek van mijn vader, want na lange tijd stond hij voor het eerst weer eens als méns tot méns tegenover iemand, in plaats van de dagelijkse omgang als gevangene met diens bewaarder.

ds. Gerrit Bos

Mijn vader hield in 1949 een rede over de geestelijke verzorging in het Oranjehotel voor de afdeling Leiden van de EXPOGE. Van gedeeltes daaruit wil ik u graag deelgenoot maken. Hij vertelde toen:

“De geestelijke verzorging begon op Tweede Paasdag, 14 april 1941, met de eerste van een gehele reeks van kerkdiensten. De gevangenen waren hierop niet voorbereid; ’s middags om kwart voor drie werden ongeveer 140 mannen op de bekende Duitse manier uitgenodigd, naar de kerk te gaan: de celdeuren werden geopend, en de wachtmeesters schreeuwden naar binnen: “Heraus! Zur Kirche!” Wij begonnen met Psalm 42 vers 1. Van de eerste vier regels was niets te horen. De mannen waren te diep ontroerd, om geluid te kunnen geven. Het volgende vers ging beter: “Ik heb mijn tranen en mijn klagen, tot mijn spijze dag en nacht.”

"Deze kerkdiensten vonden regelmatig plaats om de veertien dagen", vervolgde mijn vader. "Een menswaardig gehoor: rooms-katholieken, protestanten van alle kerkelijke richtingen, van uiterst links naar uiterst rechts, en mensen die -zoals gezegd- te voren nog nimmer in een kerk waren geweest. Ik bad steeds ook voor de Duitse wachtmeesters en hun gezinnen. Op een maandag -na een zondag met kerkdienst- zei collega-predikant Van den Bosch (die sinds december 1940 in het Oranjehotel zat) tegen mij: “Je hebt gisteren humoristisch gebeden”. Ik was geprikkeld en zei: “Wat zullen we nou hebben, wat heb ik dan gezegd?” “Je hebt gebeden:”Heer, zegen ook de wachtmeesters, hun vrouwen en kinderen en wil het zo leiden, dat ze spoedig bij hun vrouwen en kinderen teruggekeerd zijn!

Na de kerkdienst begon het celbezoek. Dit bestond allereerst uit het uitdelen van Bijbels. Al spoedig vroegen de rooms-katholieken of ik voor hen ook wat wilde doen. Zij wensten bijvoorbeeld missalen en ook vroegen zij -tegen elk verbod in- om rozenkransen. Ik heb toen een moeilijke strijd gestreden als reformatorisch protestant (we hebben het over het sterk verzuilde Nederland van die tijd) maar ik ben er uit gekomen. Ik had er voor te zorgen, dat een ieder zoveel mogelijk in deze zware toestand van gevangen-zijn, zich kon sterken in het geloof of de levensbeschouwing, waarin hij krachtens geboorte en opvoeding was grootgebracht.

Niet àlle gevangenen mocht ik bezoeken, alleen hen van wie het vooronderzoek was afgesloten. Dit was aan de buitenkant van de cel zichtbaar aan een roodgekleurd visitekaartje. Zij die een wit kaartje hadden mocht ik niet bezoeken. Maar ze zaten door elkaar! Met toestemming van de Duitse bewakers werden “de witten” zolang op de gang gezet, terwijl ik met “de roden” sprak. Soms moest ik echter “de witten” noodzakelijk spreken, en dan zette ik “de roden” op de gang , en bezocht “de witten”! De Duitsers hebben het nooit gemerkt.

Beslist verboden was het om Einzelhäftlinge te bezoeken; zij zaten gevangen in volkomen afzondering en eenzaamheid. Maar ik vond dat dit toch moest gebeuren, want ze hadden het zó zwaar. Dit gebeurde dan bij voorkeur tijdens de middagrust en ’s zaterdagsmiddags: dan was de wacht op halve bezetting, en die dienst hadden, waren half of helemaal dronken.

Ik beschikte bovendien over een eigen celsleutel, maar het was gevaarlijk. Eenmaal ben ik bij een Einzelhäftling door de hoogste Duitser in deze gevangenis, Untersturmführer Joch, betrapt; dit was bij Dr. Wiardi Beckman. Het is echter goed afgelopen. (Waarschijnlijk omdat Joch een humaan mens was.)

Tijdens de bezoeken in de cel werden mij allerlei verzoeken gedaan. Dit maakte mij tot smokkelaar en koerier. Extra voedsel was wel zeer welkom, vooral boter, kaas, spek. Familieleden van gevangenen bezorgden dit bij mij en het werd naar binnen gesmokkeld. (U ziet dus dat het niet alleen geestelijk voedsel was, dat de dominee verstrekte).

Ook verzochten gevangenen  die pas verhoord waren mij, een verslag van dit verhoor te willen overbrengen aan hun kameraad, zodat hij hetzelfde op de mouw van de Duitsers zou kunnen spelden. Bovendien was het dikwijls nodig, boodschappen naar buiten mee te nemen voor de illegale werkers en omgekeerd. Niet minder belangrijk was het voor de verzetsgroep om er achter te komen of er mensen uit hun groep waren gearresteerd, en wie. Dit kon ik in de wacht nagaan in het kaartregister, al was het zeer gevaarlijk.

Todeskandidaten. Met hen heb ik de meeste en zwaarste uren doorgebracht. Sommigen moesten lang wachten op de beslissing aangaande hun gratieverzoek: ik weet van vier, die acht maanden hebben gewacht! Minstens één keer, vaak twee keer per week bezocht ik ze. Als de beslissing over het gratieverzoek gevallen was en het ergste ging gebeuren, dan was ik tot het laatste bij hen. Dit is met ongeveer 150 het geval geweest.” 

“Door de Geuzen werd op die 13e maart 1941 af en toe zacht geneuried”, vertelde mijn vader destijds, “totdat ‘s middags om 3 uur duidelijk hoorbaar door het “Oranjehotel” de oude Psalm 43 vers 4 klonk, gezongen door vijftien Geuzentongen, voordat ze naar de Waalsdorpervlakte gebracht werden: “Dan gaan wij op tot Gods altaren”. 

Na zijn dood in 1954 –hij werd 50 jaar- liet mijn vader o.a. een envelop achter met 11 foto’s van tien mannen en een vrouw, die allen vermoedelijk in het Oranjehotel gevangen zaten. Vier van hen bleken te behoren tot de verzetsgroep “Oranjewacht”. Zij werden op 9 juli 1942 op het Fort Rhijnauwen bij Utrecht gefusilleerd, op verzoek van de slachtoffers niet geblinddoekt.

Wat een kameraadschap toonde Eddy van den Berg -ook één van hen- die daden van zijn makkers voor zijn rekening nam, waardoor hij minstens twee levens gered heeft. P.W.G. van de Weijer, ook tot deze groep gefusilleerden van de “Oranjewacht” behorend, werd op 12 augustus 1940 gearresteerd. Zijn dochter, hier vanmorgen ook aanwezig, vertelde mij nog niet zo lang geleden, dat Franz Fischer -hij arresteerde haar vader- tegen haar zei: “Weine nicht, dein Vater kommt heute Abend wieder zurück….” Vier andere mannen vonden eveneens de dood voor het vuurpeloton.
Het lot van de vrouw, en van de twee tot nu toe onbekend gebleven mannen is mij,ondanks  mijn naspeuringen bij het NIOD - nog niet bekend. 

Mijn vader heeft zijn herinneringen aan het “Oranjehotel” tijdens zijn betrekkelijk korte leven, samen met andere zorgen en verdriet, steeds in zijn hart meegedragen.

Ik vertelde al eens bij een andere gelegenheid, dat zijn herinneringen hem -op de laatste 4e mei die hij in 1953 zou meemaken- meenamen naar hier, naar het “Oranjehotel”, en dat hij toen met moeite onder woorden bracht waarom hij zo verdrietig was:”Ik moet denken aan één van hen die ik begeleidde naar het vuurpeloton, en die de laatste avond daarvoor in de Dodencel met het hoofd tegen mijn schouder schreide, en zei: “Nu kan ik nooit meer mijn lieve kleine meid onderstoppen als ze slapen gaat….” 

In haar rede, uitgesproken in 1946 bij de plechtige inwijding van Doodencel 601, de cel waar wij aanstonds weer met eerbied en in respectvolle stilte langs zullen gaan, zei Mevrouw Boon-van der Starp -destijds voorzitter van de Celcommissie-: “De Doodencel 601 is een symbool. Deze is evenals het graf van de onbekende soldaat een gedenkteken, dat spreekt en zal blijven spreken tot allen, die rouwen om een dierbaar kind….een man….een vader….een vriend. Immers, wie vol droefenis denkt aan wat hij of zij verloor, kan voortaan het beeld van de gewijde cel voor zich halen en weten: in die cel, of in precies zo’n cel, was hij….daar streed hij de zware innerlijke strijd….daar bereidde hij zich voor op het ergste….daar dacht hij aan ons, dag en nacht, zoals wij aan hem dachten….daar nam hij afscheid van wat hem het dierbaarste was hier op aarde….”

“Wat ik persoonlijk het meeste in deze uren heb geleerd is", aldus mijn vader, "dat àlle verschillen van kerk- en geloofsvormen en levensbeschouwing in het niet verzinken voor het aangezicht van de dood. Dàt alleen is belangrijk, en ònbelangrijk, wat ons in dezen kan scheiden. Ik heb me toen voorgenomen, alles te doen, wat mogelijk is om, als de oorlog voorbij zou zijn, eensgezindheid in ons vaderland te bevorderen.“
"De oorlog is bijna vier jaar verleden, maar we zijn in dit opzicht helaas verder van huis dan ooit”,
zei mijn vader in 1949.

“Toch heeft het verzet bewezen, dat het kán”, zei hij daarna nog.