|
Het Oranjehotel, 66 jaar na het eind van de Tweede Wereldoorlog. Door de
goede zorg van de voorzitter van de stichting heb ik kennis kunnen nemen
van een aantal van de indrukwekkende toespraken die in de loop van de
jaren bij de herdenkingen zijn gehouden. Ze heeft me gevraagd vandaag met
name iets te zeggen over de rol en ervaringen van kinderen in en na de
oorlog.
Ik was kind in de oorlog. We hoorden er over. Niet speciaal over de
verzetsmensen die vanuit het Oranjehotel werden gefusilleerd, wel over
executies die op verscheidene plaatsen in het land werden voltrokken. Ik
huiverde daar al van als kind, ik huiver opnieuw als ik de herinneringen
lees van de zoon van dominee Bos, die zo velen op hun laatste gang
begeleidde.
Nederland was bezet door een vijandige macht. Het waren voor mij de jaren
waarin je groeit van kind tot adolescent. Ik herinner me van die vijf jaar
veel meer dan van welke andere vijf jaren ook. Heftige gebeurtenissen
laten hun sporen na. Je vergeet ze niet. In de laatste oorlogswinter, toen
ik dertien werd, voelde ik me volwassen, want de verantwoordelijkheden die
je kreeg waren veel groter dan in normale tijden. De vier jaar na de
bevrijding, tot mijn zeventiende, toen ik aan het vrije studentenleven kon
beginnen, waren in zekere zin de moeilijkste van mijn leven, omdat ik vier
jaar lang weer kind moest zijn, wat ik feitelijk had verleerd.
De overheersende indruk van de oorlogsjaren is voor mij nog altijd dat we
niet leefden in een rechtsstaat. De willekeur, de ontzetting dat mensen
werden opgepakt en als gijzelaars werden gefusilleerd, ook al hadden ze
part nog deel aan wat was voorgevallen. Dat joodse vrienden werden
afgevoerd en, zoals we na de bevrijding hoorden, werden vermoord. De
ontreddering die dat bericht veroorzaakte heeft mij, en ik vermoed vele
anderen, nooit meer verlaten. Ook is er nog altijd een zeker gevoel van
angst voor geüniformeerde mensen. Instinctmatig ben ik nog altijd een
beetje bang voor politie, alsof ze de baas over me zijn. Natuurlijk weet
ik beter en vertaalt het zich rationeel naar dankbaarheid voor de
rechtsstaat waarin we leven, maar nooit vergeet ik dat het ook anders kan
zijn.
“We leven als God in Frankrijk”, zoals het spreekwoord zegt, in welvaart
en in vrijheid, met de trias politica, burgers die rechten hebben
tegenover de staat, met een vrije pers, met rechten van inspraak en
beroep, vrije mensen - dankzij onder anderen al diegenen die hiervandaan
zijn weggevoerd en doodgeschoten en de duizenden die hier hebben
vastgezeten. Is het een vanzelfsprekendheid geworden om in vrijheid te
leven? Zeker. Maar toch sluimert bij velen, ook bij hen die lang na de
oorlog zijn geboren, het besef dat het niet vanzelfsprekend is, denk ik.
Vele jongeren komen naar herdenkingen. En velen willen weten.
Beseffen we hoe geweldig het is om te leven in een rechtsstaat? Hoe
bevoorrecht we zijn? Dat we leven in een land waarin de overheid er is
voor de burgers, waar recht en orde heerst, waar rechtsongelijkheid aan de
kaak wordt gesteld? Waar we stemrecht hebben, politieke partijen mogen
oprichten, ons verkiesbaar mogen stellen? Leren we onze kinderen, als ze
opgroeien, dat vrijheid, recht en orde, niet vanzelfsprekend zijn? Recht
is een van onze eerste levensbehoeften. Afwezigheid van recht is een
voortdurende bron van angst. Burgers, weerloos tegen de willekeur van een
machthebber die zich de overheid noemt.
Geen recht op rechtshulp na beschuldiging.
Pro forma hoogstens. Echter,
je vijand dan als advocaat.
Het vonnis uit de automaat.
De beul is ook de rechter.
Toen onze kinderen de leeftijd bereikten die mijn vrouw en ik hadden in de
Tweede Wereldoorlog, wilden ze weten hoe het was geweest. Ik heb toen het
boek Oorlogswinter geschreven en tot mijn verrassing was daar enorme
belangstelling voor, die tot op de dag van vandaag voortduurt.
Vermeldenswaardig is ook dat sommige lezers zeiden: “Zo was het niet.”
Natuurlijk niet. Iedereen had zijn eigen oorlog meegemaakt. Op het
slagveld. In het concentratiekamp. In de hongerende stad. In het
Oranjehotel.
Moeten we kinderen laten weten wat er is gebeurd in de vijf duistere jaren
‘40-’45? Ja, naarmate ze ouder worden moeten ze daar meer en meer kennis
van nemen. Ze moeten weten dat er in de vorige eeuw jaren zijn geweest
waarin een onbeschrijfelijke moordzucht door Europa waarde. Een periode
waarover nadien veel is nagedacht, geschreven, ook onwaarheid over is
gesproken.
Vroeger werd in boeken voor de jeugd nogal eens geschreven dat kinderen
helaas nogal eens stout zijn, maar als ze goed hun best doen zullen ze
misschien ooit net zo braaf worden als de volwassenen. Braaf als
volwassenen ... Dat doen we gelukkig niet meer. Kinderen moeten weten dat
ze op weg zijn naar een samenleving waarin het niet ongewoon is dat
volwassenen vreselijke dingen doen, ze moeten zich wapenen tegen de
omkering van waarden die steeds weer kan plaatsvinden.
Het is goed dat van lieverlee de romantiek van de heldhaftige Nederlander
gedurende de oorlog heeft plaatsgemaakt voor de waarheid. Maar dat neemt
niet weg dat er ook velen waren die niet zijn gezwicht voor de tirannen.
Die niet lijdelijk toezagen. Die streden. Ook dat moeten kinderen te horen
krijgen. Dat er ook velen waren die tenslotte het hoogste offer brachten.
Het Oranjehotel is er gedenkteken van.
Ook nu, in 2011, geven mensen hun leven voor de vrijheid van anderen. Op
zoveel plaatsen in de wereld sneuvelen ook nu nog soldaten. Zoals
indertijd Britten, Amerikanen, Canadezen hun leven gaven voor onze
vrijheid.
We worstelen met politieke vraagstukken: is de strijd tegen de Taliban
zinvol, kansrijk, gerechtvaardigd? Was de inval van de Amerikanen in Irak
verdedigbaar, noodzakelijk, effectief? Daar kun je over van mening
verschillen. Maar die vragen zijn niet relevant wanneer we de doden
herdenken. Dan gaat het om individuen, om mensen van vlees en bloed, dan
gaat het om het hartverscheurend verlies van een dierbare, die het beste
heeft gegeven wat hij of zij had: zijn leven, haar leven. Dan willen we
ons die mensen herinneren, ieder individu, voor zover er nog nabestaanden
zijn die dat kunnen. En ook als we hen niet persoonlijk hebben gekend,
willen we ze in onze gedachten gestalte geven, gezamenlijk.
Het is goed dat we hen ieder jaar weer herdenken, hen en alle anderen die
door oorlogshandelingen en terreur zijn omgekomen.
Onafzienbare akker met talloze kruisen.
Voor vrijheid voor ons lig je daar.
Je was niet bestand tegen kogels en scherven.
Je viel voor je land, voor je plicht, voor de vrijheid.
Je ouders ver weg, konden jou niet begraven.
Geen toekomst voor jou met je kind, je geliefde,
Soldaat Johnny Doe, twintig jaar.
Monument in het zand van de Waalsdorpervlakte.
Je stond voor het vuurpeloton.
Je had de bezetter langdurig gedwarsboomd.
Je hielp een piloot aan de vijand ontkomen.
Vervolgden hielp je om onder te duiken.
Totdat je nog onverhoeds in hun val liep.
Je deed wat je moest, wat je kon.
Miljoenen gedood, de balans van een oorlog,
christenen, joden, islam, ...
Bijgezet in een lijst statistieken.
Zoveel procent door de bombardementen.
Zoveel procent in vernietigingskampen.
Tallozen, in hun factoren ontbonden.
Ze hadden allen een naam.
In de dertiger jaren probeerden veel joden Duitsland te ontvluchten,
bedreigd als ze waren door het misdadige fascistische regime van Hitler.
De wereld was zeer terughoudend om hen op te nemen. Ook Nederland. Als je
dat nu leest denk je: hoe is dat mogelijk? Wat bezielde ons? Wat was er
aan de hand met onze waarden en de er uit voortvloeiende normen?
Nu zijn er nog altijd mensen die worden vervolgd, bedreigd, gemarteld,
vermoord. Hoe zal de geschiedenis oordelen over ons nu, in deze tijd van
welvaart en, zoals we graag zeggen, van democratie?
De realiteit gebiedt ons om vast te stellen dat velen van ons, ook in onze
rechtsstaat, de mensenrechten, die vastliggen in de grondwet, nog altijd
niet hebben geïnternaliseerd, in ons hart hebben gesloten, ons geestelijk
eigendom hebben gemaakt.
Zo verbazingwekkend is dat ook weer niet. Intuïtief komen we op voor ons
belang op de korte termijn. De broodprijs nu houdt ons meer bezig dan de
welvaart over vijftig jaar. De gasprijs nu houdt ons meer bezig dan
klimaatverandering over een periode van vijftig jaar. De rechten van onze
stadgenoten komen ons belangrijker voor dan de rechten van mensen op
afstand in dictatoriale staten.
Als een kind wordt geboren kan het niet lezen of schrijven, evenmin is het
begrip mensenrechten zijn geestelijk eigendom.
Een van onze dochters bepleit al jaren, privé en in publicaties, dat de
betekenis van recht moet worden onderwezen. Zoals lezen en schrijven wordt
onderwezen. Het hoort thuis in het onderwijs.
Wat leren we onze kinderen op school? Onderwijzen we hun de fundamentele
beginselen van de rechtsstaat, van democratische principes, van
mensenrechten? Natuurlijk, die dingen komen aan de orde, in de
geschiedenisles, bij maatschappijleer, bij staatsinrichting en economie.
Maar er is veel voor te zeggen om enkele van dat soort vakken te vervangen
door het vak recht.
De wet is uiteindelijk de belangrijkste verworvenheid van de mensheid.
Zonder wet, zonder de ordening, de zelfbeheersing, het rekening houden met
anderen die de wet van ons vraagt, kunnen alle andere belangrijke dingen –
economie, wetenschap, ontspanning, kunsten – niet gedijen. Je ziet het als
in tijden van oorlog de wet wegvalt, als doden moet, als plundering niet
meer abnormaal is, als verkrachting wordt gezien als oorlogsbuit. Dan
vallen mensen onthutsend snel terug naar een zeer primitief gedrag, naar
een handelswijze als in de amorele natuur.
Ik ben met onze dochter eens dat we kinderen op school zeer expliciet het
belang van de wet moeten bijbrengen, het belang van het respecteren van de
wet en vooral van mensenrechten, van het verdedigen van democratische
verworvenheden, van het verdedigen van de rechtsstaat, zoals de gedwongen
gasten van het Oranjehotel hebben gedaan.
Wet en recht lijken afstandelijke onderwerpen, goed voor juristen. Dat
zijn ze niet. Dagelijks praten mensen over wet en recht.
“Hoe kan de rechter dat nu doen?”, zeggen we.
“Waarom wordt dat niet bestraft?”, roepen we.
“Waarom mag ik die brutale aap niet een schop onder z’n achterwerk
geven?”, denken we.
Er is een voortdurende spanning tussen wet en geweten. Er is veel uit te
leggen over het recht. Er valt veel te discussiëren over het recht.
De grondwet garandeert vrijheid van godsdienst. Je mag geloven wat je
wilt.
Ook vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in de grondwet. Mag je dus
zeggen dat je een godsdienst belachelijk vindt? Mag je dat op een
kwetsende manier zeggen?
Vrijheidsrechten, mensenrechten, het zijn fundamentele begrippen in een
samenleving. Dus valt er veel mee te beleven, veel over te discussiëren.
Daar zou het onderwijs zich uitstekend voor lenen.
Het eerste wat kinderen willen is leven. Veilig zijn. Vanuit die basale
drang groeien ze naar zelfstandig denken. Tijdens dat proces slaan de
volwassenen, de ouders, de leraren, zoveel anderen, hun piketpaaltjes. Hun
waarden en de daaruit afgeleide normen. Daarbij hoort om kinderen te laten
weten wat er is gebeurd, welke waarden verloren zijn geraakt en na de
bevrijding een nieuwe kans hebben gekregen. Daarbij hoort om te laten zien
hoe belangrijk sommige waarden zijn, welke verantwoordelijkheid ook het
opgroeiende kind van lieverlee krijgt om die waarden te beschermen.
Ik zei: “essentieel voor democratie is onderwijs”. Maar even essentieel
voor onderwijs en onderzoek is democratie.
Democratie is een staatsvorm en een houding. Een democratische staatsvorm
blijft gebrekkig als bestuurders, machthebbers, er niet voortdurend op uit
zijn de burgers, de bestuurden, bij de besluiten, bij de ontwikkelingen,
te betrekken. Een democratische houding betekent ook oog hebben voor de
grote onrechtvaardigheden die de wereld nog steeds teisteren. Ons niet
blind staren op materiële welvaart. Een democratische houding heeft alles
met echte vrijheid te maken.
Macht staat altijd op gespannen voet met de vrijheid van anderen. Daarom
moet macht tijdelijk zijn, en gecontroleerd en waar mogelijk gekozen.
Er is geen waarde in afgedwongen bewondering.
Er is geen waarde in afgedwongen liefde.
Wie zich omringt met vleiers en ja-knikkers doet schade aan zijn ziel. Hij
schroeit de mogelijkheid dicht om het ware van het valse te onderscheiden.
Hij ontneemt zich zijn eigen vrijheid.
Welke inhoud geven we het begrip vrijheid? Vrijheid is een van de meest
misbruikte woorden in ons vocabulaire. Het heeft weinig te maken met
‘kunnen doen wat je wilt’. Iedere vrijheid die gaat ten koste van die van
anderen, verdient die naam niet. De Montesquieu zei: “Je bent vrij als je
kunt doen wat je moet doen”.
Je bent vrij als je je geweten kunt volgen. Als je niet kunt worden
gedwongen immorele zijpaden in te slaan. Als je niet wordt gehersenspoeld.
Als je je mening mag uitspreken. Als je niet wordt gedwongen de waarheid
te verhullen. Als je kinderen kunt beschermen tegen het kwade. Als je kunt
doen wat je moet doen.
Vrijheid is niet te koop. Vrijheid moet worden bevochten, en als hij is
gewonnen, moet hij worden gekoesterd.
Vrijheid, begrip met een onvoorstelbare weidsheid,
woord waar het leven spontaan van open bloeit.
Onbereikbare verten
worden door vrijheid ontsloten.
Kale, woeste terreinen
zijn ineens te ontginnen.
Het is of door vrijheid alles de hemel in groeit.
Vrijheid, zo hoog op ieders verlanglijst.
Als je ontbreekt, wat is het leven dan schraal.
Iedere nieuwe gedachte
gevangen binnen je schedel.
Iedere zin die je uitspreekt
verhuld in een hypocriet jasje.
Diep door de knieën in houding, in mening, in taal.
Vrijheid, je laadt op onze fragiele schouders
ook een grote verantwoordelijkheid.
Als we je kwetsbare plekje
niet hardnekkig verdedigen,
als we de mogelijkheden
die je schenkt niet waarderen,
keer je ons zomaar de rug toe, en zijn we je kwijt.
Waarom willen we ieder jaar weer stilstaan bij Doodencel 601? Waarom
willen we dat ook kinderen horen over het Oranjehotel en wat daar is
gebeurd?
Herdenken is een mengeling van stilstaan bij het verleden en vormgeven van
de toekomst. Het verleden is het fundament waarop de toekomst wordt
gebouwd. Daar waar het fundament solide is, van hoge kwaliteit, daarop
willen we bouwen. De geest van het Oranjehotel heeft die kwaliteit, die
waarde voor een toekomst waarin we terreur met democratische middelen
bestrijden.
|