Herdenking

 

 

Sinds 1946 heeft er ieder jaar een herdenking plaatsgevonden in de Cellenbarakken. Tijdens de eerste herdenking werden de Doodencel en het Poortje ingewijd; in 1950 werd de gedenkplaat aan de Stevinstraat onthuld door koningin Juliana.

 

 
In 2012 zal de jaarlijkse herdenking plaatsvinden op zaterdag 29 september. De herdenkingsrede wordt uitgesproken door

drs. Paul Kalma,

politicoloog, voormalig lid van de Tweede Kamer en voormalig directeur van de Wiardi-Beckmanstichting

 

De aanvang van de herdenking is om 10:45 uur; u wordt verzocht om uiterlijk 10:35 uur aanwezig te zijn.

Na de herdenking is er gelegenheid om het monument van de Waalsdorpervlakte te bezoeken. In verband met vervoer wordt u verzocht uw belangstelling per e-mail kenbaar te maken.
Kaarten voor het bijwonen van de plechtigheid kunnen aangevraagd worden via info@oranjehotel.org. De kaarten zijn gratis, maar een bijdrage in de kosten wordt op prijs gesteld.
 

 

Ieder jaar wordt de herdenking gehouden op de laatste zaterdag in september. Tijdens de herdenking wordt een herdenkingsrede uitgesproken, er wordt muziek gespeeld, en na een minuut stilte en het Wilhelmus wordt een Stille Gang gehouden langs Doodencel 601, waar kransen worden gelegd. In de cel ligt één van de Doodenboeken opengeslagen. Hierna is er voor alle deelnemers gelegenheid om gezamenlijk een kopje koffie te drinken, een bijeenkomst die voor vele betrokkenen het karakter van een reünie heeft. Aan de herdenking nemen ieder jaar zo’n 350–400 mensen deel, waaronder een aantal bijzondere genodigden zoals de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer, vertegenwoordigers van het Kabinet, de Commissaris van de Koningin en de burgemeester van Den Haag. Het Koninklijk Huis geeft gewoonlijk blijk van haar betrokkenheid door het sturen van telegrammen.

Leerlingen van het Mariscollege Belgisch Park, de school die het Oranjehotel als monument geadopteerd heeft, leggen ieder jaar een bloemstuk bij de Doodencel. De muzikale omlijsting wordt verzorgd door de Koninklijke Politiekapel Haaglanden en ondersteuning op velerlei gebied tijdens de herdenking wordt verleend door de Scouting Sint Jorisgroep 5.

 

Het onderstaande filmpje, gemaakt in 2009, geeft een goede impressie van het verloop en karakter van de herdenkingen.

De integrale registratie van de herdenking van 2009 op DVD is,
tegen een vergoeding van €5, te verkrijgen bij de Stichting Oranjehotel: info@oranjehotel.org.

 


  

  De herdenking van 2011 vond plaats op zaterdag 24 september. De herdenkingsrede werd uitgesproken door

dr. J.C. Terlouw,

natuurkundige, schrijver, oud-minister, oud-lid van Eerste en Tweede Kamer

 

rede Jan Terlouw

foto's

 

 

Muzikale intermezzi werden verzorgd door cellist Sietse-Jan Weijenberg van het Residentieorkest,
die Allemande en Sarabande uit Suites II en V van Johann Sebastian Bach speelde.

 

    De tekst van de herdenkingsrede van dr. Jan Terlouw:


Het Oranjehotel, 66 jaar na het eind van de Tweede Wereldoorlog. Door de goede zorg van de voorzitter van de stichting heb ik kennis kunnen nemen van een aantal van de indrukwekkende toespraken die in de loop van de jaren bij de herdenkingen zijn gehouden. Ze heeft me gevraagd vandaag met name iets te zeggen over de rol en ervaringen van kinderen in en na de oorlog.

Ik was kind in de oorlog. We hoorden er over. Niet speciaal over de verzetsmensen die vanuit het Oranjehotel werden gefusilleerd, wel over executies die op verscheidene plaatsen in het land werden voltrokken. Ik huiverde daar al van als kind, ik huiver opnieuw als ik de herinneringen lees van de zoon van dominee Bos, die zo velen op hun laatste gang begeleidde.
Nederland was bezet door een vijandige macht. Het waren voor mij de jaren waarin je groeit van kind tot adolescent. Ik herinner me van die vijf jaar veel meer dan van welke andere vijf jaren ook. Heftige gebeurtenissen laten hun sporen na. Je vergeet ze niet. In de laatste oorlogswinter, toen ik dertien werd, voelde ik me volwassen, want de verantwoordelijkheden die je kreeg waren veel groter dan in normale tijden. De vier jaar na de bevrijding, tot mijn zeventiende, toen ik aan het vrije studentenleven kon beginnen, waren in zekere zin de moeilijkste van mijn leven, omdat ik vier jaar lang weer kind moest zijn, wat ik feitelijk had verleerd.

De overheersende indruk van de oorlogsjaren is voor mij nog altijd dat we niet leefden in een rechtsstaat. De willekeur, de ontzetting dat mensen werden opgepakt en als gijzelaars werden gefusilleerd, ook al hadden ze part nog deel aan wat was voorgevallen. Dat joodse vrienden werden afgevoerd en, zoals we na de bevrijding hoorden, werden vermoord. De ontreddering die dat bericht veroorzaakte heeft mij, en ik vermoed vele anderen, nooit meer verlaten. Ook is er nog altijd een zeker gevoel van angst voor geüniformeerde mensen. Instinctmatig ben ik nog altijd een beetje bang voor politie, alsof ze de baas over me zijn. Natuurlijk weet ik beter en vertaalt het zich rationeel naar dankbaarheid voor de rechtsstaat waarin we leven, maar nooit vergeet ik dat het ook anders kan zijn.

“We leven als God in Frankrijk”, zoals het spreekwoord zegt, in welvaart en in vrijheid, met de trias politica, burgers die rechten hebben tegenover de staat, met een vrije pers, met rechten van inspraak en beroep, vrije mensen - dankzij onder anderen al diegenen die hiervandaan zijn weggevoerd en doodgeschoten en de duizenden die hier hebben vastgezeten. Is het een vanzelfsprekendheid geworden om in vrijheid te leven? Zeker. Maar toch sluimert bij velen, ook bij hen die lang na de oorlog zijn geboren, het besef dat het niet vanzelfsprekend is, denk ik. Vele jongeren komen naar herdenkingen. En velen willen weten.
Beseffen we hoe geweldig het is om te leven in een rechtsstaat? Hoe bevoorrecht we zijn? Dat we leven in een land waarin de overheid er is voor de burgers, waar recht en orde heerst, waar rechtsongelijkheid aan de kaak wordt gesteld? Waar we stemrecht hebben, politieke partijen mogen oprichten, ons verkiesbaar mogen stellen? Leren we onze kinderen, als ze opgroeien, dat vrijheid, recht en orde, niet vanzelfsprekend zijn? Recht is een van onze eerste levensbehoeften. Afwezigheid van recht is een voortdurende bron van angst. Burgers, weerloos tegen de willekeur van een machthebber die zich de overheid noemt.

Geen recht op rechtshulp na beschuldiging.
Pro forma hoogstens. Echter,
je vijand dan als advocaat.
Het vonnis uit de automaat.
De beul is ook de rechter.

Toen onze kinderen de leeftijd bereikten die mijn vrouw en ik hadden in de Tweede Wereldoorlog, wilden ze weten hoe het was geweest. Ik heb toen het boek Oorlogswinter geschreven en tot mijn verrassing was daar enorme belangstelling voor, die tot op de dag van vandaag voortduurt. Vermeldenswaardig is ook dat sommige lezers zeiden: “Zo was het niet.” Natuurlijk niet. Iedereen had zijn eigen oorlog meegemaakt. Op het slagveld. In het concentratiekamp. In de hongerende stad. In het Oranjehotel.

Moeten we kinderen laten weten wat er is gebeurd in de vijf duistere jaren ‘40-’45? Ja, naarmate ze ouder worden moeten ze daar meer en meer kennis van nemen. Ze moeten weten dat er in de vorige eeuw jaren zijn geweest waarin een onbeschrijfelijke moordzucht door Europa waarde. Een periode waarover nadien veel is nagedacht, geschreven, ook onwaarheid over is gesproken.
Vroeger werd in boeken voor de jeugd nogal eens geschreven dat kinderen helaas nogal eens stout zijn, maar als ze goed hun best doen zullen ze misschien ooit net zo braaf worden als de volwassenen. Braaf als volwassenen ... Dat doen we gelukkig niet meer. Kinderen moeten weten dat ze op weg zijn naar een samenleving waarin het niet ongewoon is dat volwassenen vreselijke dingen doen, ze moeten zich wapenen tegen de omkering van waarden die steeds weer kan plaatsvinden.
Het is goed dat van lieverlee de romantiek van de heldhaftige Nederlander gedurende de oorlog heeft plaatsgemaakt voor de waarheid. Maar dat neemt niet weg dat er ook velen waren die niet zijn gezwicht voor de tirannen. Die niet lijdelijk toezagen. Die streden. Ook dat moeten kinderen te horen krijgen. Dat er ook velen waren die tenslotte het hoogste offer brachten. Het Oranjehotel is er gedenkteken van.
Ook nu, in 2011, geven mensen hun leven voor de vrijheid van anderen. Op zoveel plaatsen in de wereld sneuvelen ook nu nog soldaten. Zoals indertijd Britten, Amerikanen, Canadezen hun leven gaven voor onze vrijheid.
We worstelen met politieke vraagstukken: is de strijd tegen de Taliban zinvol, kansrijk, gerechtvaardigd? Was de inval van de Amerikanen in Irak verdedigbaar, noodzakelijk, effectief? Daar kun je over van mening verschillen. Maar die vragen zijn niet relevant wanneer we de doden herdenken. Dan gaat het om individuen, om mensen van vlees en bloed, dan gaat het om het hartverscheurend verlies van een dierbare, die het beste heeft gegeven wat hij of zij had: zijn leven, haar leven. Dan willen we ons die mensen herinneren, ieder individu, voor zover er nog nabestaanden zijn die dat kunnen. En ook als we hen niet persoonlijk hebben gekend, willen we ze in onze gedachten gestalte geven, gezamenlijk.
Het is goed dat we hen ieder jaar weer herdenken, hen en alle anderen die door oorlogshandelingen en terreur zijn omgekomen.

Onafzienbare akker met talloze kruisen.
Voor vrijheid voor ons lig je daar.
Je was niet bestand tegen kogels en scherven.
Je viel voor je land, voor je plicht, voor de vrijheid.
Je ouders ver weg, konden jou niet begraven.
Geen toekomst voor jou met je kind, je geliefde,
Soldaat Johnny Doe, twintig jaar.

Monument in het zand van de Waalsdorpervlakte.
Je stond voor het vuurpeloton.
Je had de bezetter langdurig gedwarsboomd.
Je hielp een piloot aan de vijand ontkomen.
Vervolgden hielp je om onder te duiken.
Totdat je nog onverhoeds in hun val liep.
Je deed wat je moest, wat je kon.

Miljoenen gedood, de balans van een oorlog,
christenen, joden, islam, ...
Bijgezet in een lijst statistieken.
Zoveel procent door de bombardementen.
Zoveel procent in vernietigingskampen.
Tallozen, in hun factoren ontbonden.
Ze hadden allen een naam.

In de dertiger jaren probeerden veel joden Duitsland te ontvluchten, bedreigd als ze waren door het misdadige fascistische regime van Hitler. De wereld was zeer terughoudend om hen op te nemen. Ook Nederland. Als je dat nu leest denk je: hoe is dat mogelijk? Wat bezielde ons? Wat was er aan de hand met onze waarden en de er uit voortvloeiende normen?
Nu zijn er nog altijd mensen die worden vervolgd, bedreigd, gemarteld, vermoord. Hoe zal de geschiedenis oordelen over ons nu, in deze tijd van welvaart en, zoals we graag zeggen, van democratie?
De realiteit gebiedt ons om vast te stellen dat velen van ons, ook in onze rechtsstaat, de mensenrechten, die vastliggen in de grondwet, nog altijd niet hebben geïnternaliseerd, in ons hart hebben gesloten, ons geestelijk eigendom hebben gemaakt.
Zo verbazingwekkend is dat ook weer niet. Intuïtief komen we op voor ons belang op de korte termijn. De broodprijs nu houdt ons meer bezig dan de welvaart over vijftig jaar. De gasprijs nu houdt ons meer bezig dan klimaatverandering over een periode van vijftig jaar. De rechten van onze stadgenoten komen ons belangrijker voor dan de rechten van mensen op afstand in dictatoriale staten.
Als een kind wordt geboren kan het niet lezen of schrijven, evenmin is het begrip mensenrechten zijn geestelijk eigendom.
Een van onze dochters bepleit al jaren, privé en in publicaties, dat de betekenis van recht moet worden onderwezen. Zoals lezen en schrijven wordt onderwezen. Het hoort thuis in het onderwijs.
Wat leren we onze kinderen op school? Onderwijzen we hun de fundamentele beginselen van de rechtsstaat, van democratische principes, van mensenrechten? Natuurlijk, die dingen komen aan de orde, in de geschiedenisles, bij maatschappijleer, bij staatsinrichting en economie. Maar er is veel voor te zeggen om enkele van dat soort vakken te vervangen door het vak recht.
De wet is uiteindelijk de belangrijkste verworvenheid van de mensheid. Zonder wet, zonder de ordening, de zelfbeheersing, het rekening houden met anderen die de wet van ons vraagt, kunnen alle andere belangrijke dingen – economie, wetenschap, ontspanning, kunsten – niet gedijen. Je ziet het als in tijden van oorlog de wet wegvalt, als doden moet, als plundering niet meer abnormaal is, als verkrachting wordt gezien als oorlogsbuit. Dan vallen mensen onthutsend snel terug naar een zeer primitief gedrag, naar een handelswijze als in de amorele natuur.
Ik ben met onze dochter eens dat we kinderen op school zeer expliciet het belang van de wet moeten bijbrengen, het belang van het respecteren van de wet en vooral van mensenrechten, van het verdedigen van democratische verworvenheden, van het verdedigen van de rechtsstaat, zoals de gedwongen gasten van het Oranjehotel hebben gedaan.
Wet en recht lijken afstandelijke onderwerpen, goed voor juristen. Dat zijn ze niet. Dagelijks praten mensen over wet en recht.
“Hoe kan de rechter dat nu doen?”, zeggen we.
“Waarom wordt dat niet bestraft?”, roepen we.
“Waarom mag ik die brutale aap niet een schop onder z’n achterwerk geven?”, denken we.
Er is een voortdurende spanning tussen wet en geweten. Er is veel uit te leggen over het recht. Er valt veel te discussiëren over het recht.
De grondwet garandeert vrijheid van godsdienst. Je mag geloven wat je wilt.
Ook vrijheid van meningsuiting is vastgelegd in de grondwet. Mag je dus zeggen dat je een godsdienst belachelijk vindt? Mag je dat op een kwetsende manier zeggen?
Vrijheidsrechten, mensenrechten, het zijn fundamentele begrippen in een samenleving. Dus valt er veel mee te beleven, veel over te discussiëren. Daar zou het onderwijs zich uitstekend voor lenen.

Het eerste wat kinderen willen is leven. Veilig zijn. Vanuit die basale drang groeien ze naar zelfstandig denken. Tijdens dat proces slaan de volwassenen, de ouders, de leraren, zoveel anderen, hun piketpaaltjes. Hun waarden en de daaruit afgeleide normen. Daarbij hoort om kinderen te laten weten wat er is gebeurd, welke waarden verloren zijn geraakt en na de bevrijding een nieuwe kans hebben gekregen. Daarbij hoort om te laten zien hoe belangrijk sommige waarden zijn, welke verantwoordelijkheid ook het opgroeiende kind van lieverlee krijgt om die waarden te beschermen.

Ik zei: “essentieel voor democratie is onderwijs”. Maar even essentieel voor onderwijs en onderzoek is democratie.
Democratie is een staatsvorm en een houding. Een democratische staatsvorm blijft gebrekkig als bestuurders, machthebbers, er niet voortdurend op uit zijn de burgers, de bestuurden, bij de besluiten, bij de ontwikkelingen, te betrekken. Een democratische houding betekent ook oog hebben voor de grote onrechtvaardigheden die de wereld nog steeds teisteren. Ons niet blind staren op materiële welvaart. Een democratische houding heeft alles met echte vrijheid te maken.
Macht staat altijd op gespannen voet met de vrijheid van anderen. Daarom moet macht tijdelijk zijn, en gecontroleerd en waar mogelijk gekozen. Er is geen waarde in afgedwongen bewondering. Er is geen waarde in afgedwongen liefde. Wie zich omringt met vleiers en ja-knikkers doet schade aan zijn ziel. Hij schroeit de mogelijkheid dicht om het ware van het valse te onderscheiden. Hij ontneemt zich zijn eigen vrijheid.
Welke inhoud geven we het begrip vrijheid? Vrijheid is een van de meest misbruikte woorden in ons vocabulaire. Het heeft weinig te maken met ‘kunnen doen wat je wilt’. Iedere vrijheid die gaat ten koste van die van anderen, verdient die naam niet. De Montesquieu zei: “Je bent vrij als je kunt doen wat je moet doen”.
Je bent vrij als je je geweten kunt volgen. Als je niet kunt worden gedwongen immorele zijpaden in te slaan. Als je niet wordt gehersenspoeld. Als je je mening mag uitspreken. Als je niet wordt gedwongen de waarheid te verhullen. Als je kinderen kunt beschermen tegen het kwade. Als je kunt doen wat je moet doen.
Vrijheid is niet te koop. Vrijheid moet worden bevochten, en als hij is gewonnen, moet hij worden gekoesterd.

Vrijheid, begrip met een onvoorstelbare weidsheid,
woord waar het leven spontaan van open bloeit.
Onbereikbare verten
worden door vrijheid ontsloten.
Kale, woeste terreinen
zijn ineens te ontginnen.
Het is of door vrijheid alles de hemel in groeit.

Vrijheid, zo hoog op ieders verlanglijst.
Als je ontbreekt, wat is het leven dan schraal.
Iedere nieuwe gedachte
gevangen binnen je schedel.
Iedere zin die je uitspreekt
verhuld in een hypocriet jasje.
Diep door de knieën in houding, in mening, in taal.

Vrijheid, je laadt op onze fragiele schouders
ook een grote verantwoordelijkheid.
Als we je kwetsbare plekje
niet hardnekkig verdedigen,
als we de mogelijkheden
die je schenkt niet waarderen,
keer je ons zomaar de rug toe, en zijn we je kwijt.

Waarom willen we ieder jaar weer stilstaan bij Doodencel 601? Waarom willen we dat ook kinderen horen over het Oranjehotel en wat daar is gebeurd?
Herdenken is een mengeling van stilstaan bij het verleden en vormgeven van de toekomst. Het verleden is het fundament waarop de toekomst wordt gebouwd. Daar waar het fundament solide is, van hoge kwaliteit, daarop willen we bouwen. De geest van het Oranjehotel heeft die kwaliteit, die waarde voor een toekomst waarin we terreur met democratische middelen bestrijden.
 

 

 

 


Impressies en de herdenkingsredes van de afgelopen jaren zijn te zien via de onderstaande links  

   
Herdenking 2010

Herdenking 2009

Herdenking 2008

Herdenking 2007

Herdenking 2006

Herdenking 2005

Herdenking 2004

Herdenking 2003

Herdenking 2002