Stenen

Een aardig feit mag misschien nog genoemd worden. Het is mij inderdaad gelukt de stenen van cel 718 te tellen. De halve stenen gevoegd tot hele.
Als ik mij goed herinner waren het er 1176 stuks.

periode onbekend, cel 718

 

 

Kinderen in de cel

De cellen waar Joodsche vrouwen met hun kinderen waren, waaronder ook zuigelingen, waren een marteling. In die volle cellen één of twee kinderen, geen extra water om luiers te spoelen, ook geen warm water om het goed te wasschen, de kindertjes bij de moeder in de kleine krib.
Nog hoor ik soms in mijn gedachten het klagende stemmetje van een driejarig jongetje: "Ik wil naar huis ...... Mama, ik wil naar huis!"

19 april 1943 - 19 augustus 1943; cel 303

 

 

Telefoon

Voordat we gingen slapen werd onze buurman gebeld. De mannencellen grensden aan de achterkant van de onze, de vrouwencellen. In bijna iedere cel was een "telefoon" aangelegd met behulp van een corsetbalijn. Zo werden wij nieuws gewaar als één van de mannen op verhoor was geweest, en andersom natuurlijk. Als onze gesprekken uit waren kauwden we een stukje brood uit, platten dat in het gat, schrapten een beetje witte kalk van de muur, en deden dat er overheen. Zodoende viel het niet op, als er soms celcontrole kwam.

Na onze gesprekken met de buurman gingen we slapen. De stromatrassen werden op de grond gelegd, de oudste mocht in het bed slapen.

10 maart 1943 - 19 augustus 1943; cel 397

 

 

Uienstamppot

Op een dag kreeg ik uienstamppot waarin bruine zachte, dadelvormige stukjes dreven. Het smaakte een beetje zoetig en paste goed bij de uien. Verder brak ik er mijn hoofd niet over.
Pas veel later hoorde ik van iemand die in de keuken in het Oranjehotel werkte dat het kakkerlakken waren die uit de afvoer in de keuken in de pan vielen als er scherpe groente zoals uien gekookt werd.

7 januari 1941 - juni 1941; cel 529

 

 

Schaken

Mijn celgenoot, die zelf niet kon schaken, stond -soms langer dan een uur- met zijn oor tegen de celdeur om te horen of er een bewaker langs kwam. Vooral die ene Roemeense SS-er was gevaarlijk en kwaadaardig, maar mijn celgenoot had een scherp gehoor. Ik schaakte dan met een gevangene in de cel naast ons. We zeiden via het balkje in de tussenmuur, waaraan onze tafeltjes bevestigd waren, zachtjes met ons hoofd op het tafeltje onze zetten. Dat was niet zo gemakkelijk en we brachten het dan ook niet zo ver, maar we leerden wel aan. Na enkele weken kwamen we tot ongeveer 7 zetten in de blinde. Aldoende vorderden we, maar verder dan 7 of 8 zetten kwamen we niet.
Ik heb de vriend-schaker na mijn vrijlating nooit meer ontmoet.

7 januari 1941 - juni 1941; cel 529

 

 

Narigheid

Verder heb ik vaak gelachen als wij 's avonds in het ondergoed te bed moesten liggen, nog met elkaar spraken en de moffen niet konden vinden wie het gedaan hadden. Moesten alle gevangenen van die gang uittreden en een paar maal diepe kniezit maken en een paar keer de gang hard op en neer hollen.
Allen achter elkaar in een rij. Met ondergoed dat de gevangenen van de moffen kregen werd er niet zo nauw gekeken; zij pakten maar een hemd en broek van de stapel en het moest passen, dus de één liep met een broek waar hij wel zes keer in kon, en de ander had er één waarvaan de pijpjes hem tot de knieën kwamen. En dan lopen met je armen in de hoogte. Heel vaak scheurde de één het kruis eruit en de ander zakte de broek op zijn hakken en viel zodoende neer waardoor er soms weer de nodigen overheen rolden.
Bij dat schouwspel moest je lachen ondanks alle narigheid.

periode en celnummer onbekend

 

 

Oudejaar

Ook herinner ik me nog goed de oudejaarsnacht: de radio in het wachtmeesterraum blerde de ene fanfare na de andere, Sieg Heil, enzovoort.
Maar in de cellen, afgesloten van elkaar heerste één geest; kerkelijke en vaderlandse liederen werden gezongen. Hier was het dat ik na al hetgeen ik in mijn leven heb meegemaakt, als grote kerel zijnde, gehuild heb als een kleine jongen.

13 december 1941 - 16 januari 1942; cel 612

 

 

Geloof

Dit was echter een martelende onzekerheid, geen proces, geen vonnis, het was om gek van te worden. Als ik in mijn cel mijn God niet had weergevonden geloof ik dat het me te machtig was geworden. Nu werd ik door het gebed steeds weer gesterkt. Zoals God een mens nabij kan zijn heb ik in dat cellenleven ondervonden. Als je honger had, als je geen uitzicht meer zag en je zonk op je knieën had je weer moed om verder te leven, was je weer gesterkt naar lichaam en ziel.
Er is daar in die cellenbarakken wat gebeden om uitkomst, en daarom, hoe vreemd het ook moge schijnen, die gevangenistijd zou ik niet hebben willen missen omdat ik daar weer heb leren bidden en God mij met zijn opzoekende liefde zo nabij is geweest.

7 januari 1941 - 17 mei 1941; cel 696/745

 

 

Wandelen

Eén van mijn dagelijkse bezigheden was een wandeling. In verbeelding van mijn woonplaats Waalre naar Eindhoven. Deze duurde een half uur. Zo snel kan men het in werkelijkheid niet. Ik had vroeger de weg van mijn huis tot mijn kantoor door het tellen van de slagen van de trapas van mijn fiets in dertig gelijke stukken verdeeld. Ik maakte nu in mijn cel stapjes ter lengte van een tegel. Er lagen tien tegels in de lengte, waarvan drie onder het bed. Ik maakte dus zeven stappen heen en zeven terug. Aan het eind telkens drie stappen voor het omkeren. Iedere stap duurde een seconde, dus in twintig seconden was ik eenmaal heen en weer gelopen. Dat aantal telde ik op mijn vingers en onderhand haalde ik mij bij de eerste drie heen- en weergangen het eerste van de dertig stukken van de weg voor de geest, bij de tweede drie het tweede stuk, en zo vervolgens tot ik na een half uur in gedachten de hele weg afgewandeld was.
Het was een vermaak waaraan ik me kon overgeven zonder gevaar er door een bewaker voor te worden gestraft.

25 juli 1942 - 1 oktober 1942; cel 550

 

 

Blauw

We lieten heel vaak de moffen zo blauw mogelijk aanlopen.
Dat betekende dat je iets wat je doen moest, bij voorbeeld een heel onnozel iets, expres verkeerd deed, en ondanks zo'n mof zijn gebulder en gevloek en aanwijzingen toch heel dom verkeerd bleef doen. Nu, dan was het de kunst om precies zo ver te gaan dat je er zonder klappen afkwam, en die mof zich toch zowat dood geschreeuwd had.
Al riskeerde je er klappen mee, toch deed je het want dat waren zo van die dingetjes waarmee je hen tenminste nog kon dwarszitten.

periode en celnummer onbekend

 

 

Einzelhaft

Het bordje met Einzelhaft op zijn cel betekent dat hij daar zal blijven zonder lectuur, zonder aanspraak en zonder het kwartiertje frisse lucht, dat tenminste nog aan de anderen wordt gegund. Hij moet maar zien hoe hij zichzelf de hele dag bezig houdt; en door de dunne celwanden horen hem op alle tijden van de dag in de weer, nu eens met het schoonhouden van zijn primitief meubilair, dan weer met een -streng verboden- klimpartij in de richting van het hoge venster, waardoorheen hij mogelijk een vriend uit een tegenover liggende cel zal kunnen zien.
Een uur voor de maaltijd horen we geregeld geluiden uit zijn cel, die ik eerst niet heb kunnen thuisbrengen, maar die blijkbaar in verband staan met de voorbereiding van het maal, namelijk het fijnkruimelen van een stuk brood dat hij speciaal hiervoor heeft bewaard. Een uur lang is hij bezig het gespaarde halve broodje fijn te wrijven en uit het kruim kleine kogeltjes te draaien, die straks met het middageten zullen worden gemengd. Zo grijpt hij blijkbaar iedere gelegenheid aan om zijn geest op één of andere bezigheid te concentreren. En dat die geest levendig en onverschrokken blijft blijkt uit de korte bemoedigende woorden, die nu en dan uit zijn cel opklinken en zijn belangstelling voor in het nauw gedreven goed Vaderlanders.

juni 1942 - 19 januari 1943; cel 631

 

 

Avond

En dan die verschrikkelijke avonden dat er in één van de strafcellen een meisje afgeranseld werd omdat ze Vaderlandse liederen zong. Dat drong me door merg en been, dat ze riep: "Moeder, ze slaan me zo!"
En er dan niet bij te kunnen. Maar na tien minuten begon ze weer te zingen. Het was een voorbeeld voor velen.

3 december 1940 - 8 april 1941; cel 345