Herdenking

bloemenkransen

Jaarlijkse herdenking

Sinds 1946 heeft er ieder jaar een herdenking plaatsgevonden in de Cellenbarakken. Tijdens de eerste herdenking werden de Doodencel en het Poortje ingewijd; in 1950 werd de gedenkplaat aan de Stevinstraat onthuld door koningin Juliana.

Ieder jaar wordt de herdenking gehouden op de laatste zaterdag in september. Tijdens de herdenking wordt een herdenkingsrede uitgesproken, er wordt muziek gespeeld, en na een minuut stilte en het Wilhelmus wordt een Stille Gang gehouden langs Doodencel 601, waar kransen worden gelegd. In de cel ligt één van de Doodenboeken opengeslagen. Hierna is er voor alle deelnemers gelegenheid om gezamenlijk een kopje koffie te drinken, een bijeenkomst die voor vele betrokkenen het karakter van een reünie heeft. Aan de herdenking nemen ieder jaar zo’n 350–400 mensen deel, waaronder een aantal bijzondere genodigden zoals de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer, vertegenwoordigers van het Kabinet, de Commissaris van de Koningin en de burgemeester van Den Haag. Het Koninklijk Huis geeft gewoonlijk blijk van haar betrokkenheid door het sturen van telegrammen.
Leerlingen van het Mariscollege Belgisch Park, de school die het Oranjehotel als monument geadopteerd heeft, leggen ieder jaar een bloemstuk bij de Doodencel. De muzikale omlijsting wordt verzorgd door de Koninklijke Politiekapel Haaglanden en ondersteuning op velerlei gebied tijdens de herdenking wordt verleend door de Scouting Sint Jorisgroep 5.
Een impressie van een eerdere herdenking is te vinden onder deze link.

Herdenking 2018

Herdenkingsrede

Dr. Bas von Benda Beckmann, historicus 

De vele gezichten van het Oranjehotel 

Geachte aanwezigen.

We staan vandaag stil bij de ruim 25.000 mensen die tussen 1940 en 1945 opgesloten zaten in wat officieel Deutsches Polizeigefängnis Scheveningen heette, maar zo tegen het einde van 1940 al snel de geuzennaam Oranjehotel kreeg.

De onlangs overleden kunstenaar en schrijver Armando heeft ooit gezegd: ‘Oorlog is een samengebalde vorm van leven’. Armando bedoelde hiermee dat de grote politieke en sociale veranderingen en de risico’s van vervolging voor de kleine en gewone kanten van het gewone bestaan vaak buitengewoon grote gevolgen hadden. De geschiedenis van het Oranjehotel brengt de betekenis van Armando’s constatering op bijzonder ingrijpende wijze naar voren. Op deze plek verbleven, vaak opeengepakt in overvolle cellen, ruim 25.000 mensen wiens leven op een of andere wijze bijzonder door de oorlog en bezetting is getekend.

Als historicus met een gedeeltelijk Duits- gedeeltelijk Nederlandse familieachtergrond ben ik altijd al geïnteresseerd geweest in de impact van bezetting en oorlog op het dagelijks leven van mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de afgelopen drie jaren heb ik de geschiedenis van deze plek, het Oranjehotel, bestudeerd. Ik heb onderzoek gedaan naar de plaats die het Oranjehotel innam in het Duitse vervolgingssysteem, maar ook naar ervaringen van en interactie tussen gevangenen en bewakers. Het resultaat kunt u begin volgend jaar lezen in het boek dat tegelijkertijd met de opening van het herinneringscentrum zal verschijnen. Voor mijn onderzoek las ik honderden memoires, dagboeken en brieven van oud-gevangenen en bestudeerde ik strafdossiers van bewakers en Duitse politiemannen. Ook had ik het grote voorrecht een aantal oud-gevangenen te kunnen spreken die mij meer inzicht gaven in het dagelijks leven in de belangrijkste Duitse politiegevangenis op Nederlandse bodem.

Gevangenschap eist een grote mate van aanpassing. Het betekent omgaan met verveling en sleur, het verdragen van stank van de vaak overvolle cellen, het omgaan met celgenoten en, soms, bruut geweld en mishandeling. Iedere gevangene moest, afhankelijk van situatie en karakter, een eigen manier vinden om zich een habitus van zijn of haar cel te vormen. Iemand die deze kant van de ervaring van gevangenschap bijzonder treffend heeft opgeschreven is Engelandvaarder Lex Althoff. Op 14 juni 1942 schreef zijn dagboek, kort nadat hij van Scheveningen was overgebracht naar de politiegevangenis in Haaren:  ‘Ik begrijp nu wel dat het ook hier de ‘kunst’ is in je ‘habitus’ je omgeving te vinden […] De gevangenishabitus moet zijn ontstaan ontleenen uitsluitend en alleen aan de realiteit van de gevangenis. Een dier dat uit een bepaald hem eigen milieu gehaald wordt en overgebracht wordt naar een geheel vreemde en totaal andere omgeving’.

Elke gevangene moest zich zijn of haar ‘gevangenishabitus’ vormen. Maar de omstandigheden waaronder ze dit moesten doen liep soms ver uiteen. Tijdens mijn onderzoek viel mij steeds weer de enorme verscheidenheid op, zowel wat betreft de sociale, religieuze en politieke achtergrond van gevangenen, maar ook ten aanzien van de reden voor hun arrestatie.

De Duitse politie gebruikte het Oranjehotel voor het opsluiten van verzetsmensen, maar er zaten ook Jehova’s Getuigen, Arbeitseinsatzontduikers, zwarthandelaars en Joden gevangen. Wat er met iemand gebeurde en waar iemand na een tijdelijk verblijf in Scheveningen terecht kwam hing grotendeels af van de reden van hun arrestatie en hun ‘status’ als gevangene. Daarmee werd ook steeds duidelijk dat de betekenis van deze gevangenis niet op zichzelf stond maar deel uitmaakte van een uitgebreid netwerk van straf-instellingen en concentratiekampen en voor een groot deel van de gevangenen was Scheveningen slechts het begin van een lange reis.

Wanneer we stilstaan bij de mensen die hier op deze plek onder de naziheerschappij gevangen zaten, dan denken we vaak in eerste instantie aan mensen die werden gearresteerd omdat ze opkwamen voor hun medemensen en voor waarden als vrijheid en naastenliefde. Die herinnering is verbonden aan enkele iconische namen: Rudolf Cleveringa, Bernhard IJzerdraat, Titus Brandsma, Pim Boellaard om er maar een paar te noemen.

Vandaag wil ik ook wat minder bekende verhalen uitlichten. Dat doe ik niet omdat ik deze verhalen op een of andere manier waardevoller of indrukwekkender vind dan de geschiedenis van iemand als Cleveringa of IJzerdraat, maar omdat ik het belang wil benadrukken van multi-perspectiviteit. Ik wil een indruk geven van de verscheidenheid die de gevangenen van het Oranjehotel zo kenmerkt, niet alleen met betrekking tot de reden voor hun arrestatie en de verdere levensloop, maar ook in de manier waarop zij hun gevangenschap in Scheveningen hebben ervaren.

Die ervaring werd voor een heel belangrijk deel bepaald door de condities en het heersende gevangenisregime. In het universum van de gevangenis werden schijnbaar kleine verbeteringen in levensstandaard grote privileges: de mogelijkheid soms je cel uit te komen, een sigaret te roken, jam op je brood of het houden van studieboeken en schrijfgerei in je cel. Een van die relatief ‘geprivilegieerde’ gevangenen was de eenentwintigjarige Riet Hoogland. Ze werd in oktober 1940 gearresteerd omdat ze een kritisch gedichtje over het bombardement op Rotterdam had overgeschreven en verspreid op haar werk. Een Duitse rechter veroordeelde haar hiervoor tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan ze 6 maanden in het Oranjehotel uitzat. Toen ze in juni 1941 vrijkwam werd ze door een groepje vriendinnen met bloemen opgewacht bij het poortje aan de Van Alkemadelaan en begeleid naar haar huis in Hengelo, waar zij door een enthousiaste mensenmenigte met bloemenkransen en gejuich ontvangen werd. Na de oorlog maakte zij kort deel uit van het eerste Oranjehotel-comité en stond daarmee mede aan de voet van het monument waarlangs wij straks zullen lopen: de in oorspronkelijke staat behouden ‘doodencel’ 601, die als een van de cellen van waaruit terdoodveroordeelde gevangenen hun executie op de Waalsdorpervlakte afwachtten symbool staat voor de willekeur en rechteloosheid van het Duitse bezettingssysteem.

Hoogland beschrijft haar zes maanden gevangenschap in het Oranjehotel in een boekwerk van meer dan 200 pagina’s, een manuscript dat pas recent is herontdekt. Met behulp van dagboekaantekeningen die zij op stukjes toiletpapier maakte, werkte zij haar verhaal in de zomer van 1942 uit op haar typemachine. Al kort na haar aankomst in Scheveningen kreeg ze samen met vriendin Emmy een baantje als Flurwärterin: ‘gangloopster’. Als gangloopsters moesten zij de Duitse bewaaksters ondersteunen met het rondbrengen van eten, de gangen schoonmaken en andere klusjes uitvoeren. Dit baantje, dat als een groot voorrecht gold, betekende dat zij veel meer contact had met andere gevangenen en met de bewaaksters dan de meesten van haar lotgenoten. Op de gang sprak ze met medegevangenen, soms zelfs met mannelijke ganglopers. Ze werd een belangrijke communicatiespil in het gevangenisleven: bracht groeten over, verstopte en bezorgde geheime briefjes. Maar ook met de Duitse bewaaksters bouwde ze een band op. Ze won hun vertrouwen en hielp hen niet alleen met het uitvoeren van corveewerk, maar ook met het kalmeren van recalcitrante of in paniek geraakte gevangenen.

Zij kon daardoor dingen waarnemen die voor veel anderen verborgen bleven. Haar boek geeft veel prijs over de mannelijke en vrouwelijke bewakers, met wie zij als gangloopster veel in aanraking kwam. Daaruit blijkt bijvoorbeeld hoe zeer de verschillende bewakers, hoofdbewakers en directeuren elkaar naar het leven stonden en kleinzielige ruzietjes uitvochten, bijvoorbeeld over het aantal beschikbare cellen voor de vrouwenafdeling of over de vraag hoe streng het gevangenisregime moest zijn.

Begin 1941 maakte de organisatie van het Duitse Polizeigefängnis een transitie door, die grotendeels parallel loopt aan het steeds hardere optreden van de Sicherheitspolizei in bezet Nederland. Terwijl de Sicherheitspolizei jacht maakt op de eerste grotere verzetsnetwerken, zoals de Geuzengroep en in Amsterdam de toenemende antisemitische terreur uitmondde in de rellen in de Amsterdamse Jodenbuurt, waar een vechtpartij in IJssalon Koco de aanleiding zou vormen voor de Februaristaking, verstevigden de Sicherheitspolizei en SS hun greep op de Duitse Polizeigefängnis. Ze dwongen een reorganisatie af. Inspektor Harry Harder, die tot de Duitse Kriminalpolizei behoorde en tot dan toe de leiding over het Oranjehotel had gehad werd op een zijspoor gezet. Hij werd vervangen door een SS-onderofficier, Hans Schweiger, die op zijn beurt twee maanden later Hans Joch boven zich geplaatst kreeg. Schweiger werd onderdirecteur, terwijl Harder in het hoofdgebouw met de algehele leiding over de strafgevangenis werd belast.

Hoewel de drie mannen allemaal overtuigde nationaalsocialisten waren, hadden ze uiteenlopende opvattingen over de bewaking van politieke gevangenen. Harder had vanaf zijn komst in het najaar van 1940 een streng regime gevoerd maar had er een hekel aan als de Sicherheitspolizei zich met interne gevangeniszaken bemoeide en wees gewelddadig optreden door de bewakers af, terwijl Schweiger de gevangenen de meeste elementaire levensbehoeften ontzegde en regelmatig zwaar mishandelde. Joch op zijn beurt geloofde juist in een milder regime, draaide allerlei maatregelen van Schweiger weer terug en stond toe dat politieke gevangenen extra eten konden kopen in de gevangeniskantine, bibliotheekboeken in hun cel mochten houden en kerkdiensten mochten bijwonen.

Riet Hoogland beschrijft hoe de botsende overtuigingen en overlappende bevoegdheden van deze mannen tot veel haat en nijd leidden. Ze laat ook zien hoe hoofdbewaakster Erna Kreikamp, die de leiding had over de vrouwenafdeling maar ondergeschikt was aan deze directeuren, haar invloed probeerde te vergroten door Schweiger, Harder en Joch tegen elkaar uit te spelen, hetgeen Riet Hoogland nauwkeurig opmerkte en optekende in haar gevangenisverslag.

Hooglands manuscript vertelt ook veel over de gevangenen zelf. Het laat zien dat er weliswaar onder de gevangenen enerzijds vaak onderlinge solidariteit bestond, maar dat deze ook haar grenzen had. Terwijl Riet bereid was het risico op een zware straf te nemen door stiekem briefjes voor haar medegevangenen te smokkelen hoefden sommige anderen die, in de woorden van Riet ‘wel tot het gajes’ behoorden, of in haar ogen op andere wijze blijk gaven van egoïsme of gebrek aan ‘flinkheid’,  niet te rekenen op haar sympathie en hulp.

Riet Hooglands verhaal is waardevol en biedt veel inzichten maar vertelt ons tegelijkertijd maar een deel van het verhaal. Ze werd als vrouwelijke gevangene met een relatief lichte straf buitengewoon goed behandeld. Bovendien heeft haar verhaal een ‘happy ending’: Riet kwam na zes maanden gevangenschap op vrije voeten, werd als heldin onthaald door vrienden en familie en maakte de latere verharding van het gevangenisregime onder Schweiger, die na het vertrek van Joch steeds meer de dienst zou uitmaken, niet mee.

Maar wat bovendien opvalt is dat haar verhaal zo verschilt van dat van sommige andere gevangenen die in dezelfde periode gevangen zaten en voor wie de gevangeniservaring getekend werd door werd angst, wanhoop en mishandeling. Terwijl Hooglands verslag illustreert hoe soms bijna vriendschappelijke verstandhoudingen tussen de gevangenen en hun bewakers konden ontstaan beschrijven verschillende andere gevangenen dat zij bij binnenkomst met hun hoofd tegen de muur moesten staan en daarbij een klap tegen het achterhoofd kregen. Ook sloegen de bewakers als gevangenen de regels overtraden, bijvoorbeeld wanneer zij ongeoorloofd met elkaar spraken, op de verwarmingsbuizen tikten of liedjes zongen.

Zo werden de leden van de Geuzen-groep in de eerste maanden van 1941 gruwelijk mishandeld. De meeste gewelddadigheden vonden plaats tijdens de verhoren door de Sicherheitspolizei. De leider van de Maassluise afdeling van de Geuzengroep, Sjaak Boezeman, werd in de gevangenis tijdens zijn verhoor op het Binnenhof zelfs dusdanig mishandeld dat hij later als gevolg hiervan in cel 333 overlijdt. De Nederlandse bewaker Albert Schaap sprak Boezeman nog kort voor hij overleed. Hij verklaarde daarover later: ‘Ik zag toen, dat zijn rug een en al wonde was, hij was namelijk geheel bedekt met bloeduitstortingen en zijn gehele rug zat vol bloed. Ook kon hij niet behoorlijk meer praten aangezien zijn gehele gezicht was stukgeslagen en het bloed uit zijn mond liep.’ De volgende ochtend was Boezeman dood.

Anderen zoals Ernst Cahn de eigenaar van de Amsterdamse IJssalon Koco – waar de rellen begonnen die aanleiding gaven tot de Februaristaking- en leden van de Geuzengroep van Boezeman en de CPN van Holstege werden in datzelfde voorjaar van 1941 de slachtoffers van de Duitse executies op de Waalsdorpervlakte, waar in totaal meer dan 250 mensen door de Duitsers zouden worden doodgeschoten. De meesten van hen doorstonden tijdens het politieonderzoek dat aan hun veroordeling voorafging buitengewoon ernstige mishandelingen.

Maar ook voor veel gevangenen die niet voortdurend mishandeld werden was het gevangenisleven psychisch veel zwaarder dan het voor Riet Hoogland lijkt te zijn geweest. De verveling, onzekerheid, de slechte voorzieningen en alle andere ongemakken brachten voor de gevangenen in Scheveningen een grote psychische druk met zich mee. Voor Lex Althoff was Scheveningen zo traumatisch dat de angst dat hij eventueel naar Scheveningen terug moest hem in zijn cel in Haaren soms bij de keel greep: ‘Ik heb grote angst voor Sch. Een grote angst voor de lugubere hel van de cel. In mijn gedachten zijn voor de toekomst de woorden cel en hel, die toch al zoveel op elkaar lijken, identiek. Terug naar Scheveningen is een schrikbeeld, dat ik nauwelijks toe durf laten in mijn gedachten’.

Het is niet zozeer dat Riet Hoogland de ellende helemaal niet waarnam (ze vertelt zelfs dat zij op een bepaald moment getuige is van een gewelddadig verhoor) maar het geweld bepaalde niet haar eigen gevangenschapservaringen. Het feit dat zij niet mishandeld werd, dat ze in juni 1941 vrij kwam en niet naar een concentratiekamp werd gebracht, betekent ook dat haar gevangenschapservaring in veel opzichten fundamenteel verschilt van gevangenen die dit wel meemaakten. Er is nog iets dat grotendeels aan haar voorbij ging, deels omdat de Jodenvervolging begin 1941 nog niet op gang was gekomen: het bijzonder harde lot van de Joodse gevangenen.

Zeker tweeduizend Joodse gevangenen verbleven enige tijd in het Oranjehotel, beduidend meer dan vaak is aangenomen. Mannen, vrouwen en ook kinderen kwamen in de Scheveningse cellenbarak terecht nadat ze waren opgepakt op een onderduikadres of van de straat geplukt omdat zij geen Jodenster droegen. De Joodse gevangenen hadden in veel opzichten een andere ervaring dan niet-Joodse gevangenen. Zij werden op allerlei manieren achtergesteld en vernederd. Joodse mannen moesten een baard laten staan en aan de buitenkant van de cellen waarin Joden zaten, hingen bordjes met de tekst ‘Ich bin Jude’. Ook werden Joodse gevangenen veel vaker slachtoffer van fysiek geweld. Een groepje fanatieke bewakers gaf zich, daartoe aangespoord door Schweiger, over aan speciale pesterijen, vernedering en brute mishandelingen. Zo beschrijven getuigen dat Joodse gevangenen naakt over de gangen werden gejaagd, natgespoten met koud water en geslagen en gedwongen hun eigen ontlasting op te eten.

Er is nog een reden waarom Joodse gevangenschap in het Oranjehotel anders was. Hun verblijf duurde meestal kort en was vrijwel altijd het begin van deportatie naar Duitsland of Polen, een reis die meestal eindigde met dood. Tweewekelijks vertrokken treinen met Joodse gevangenen naar Westerbork, om daarvandaan te worden gedeporteerd naar vernietigingskampen. Op de transportlijst van 7 januari 1944 staan zevenenvijftig namen van de mannen, vrouwen en kinderen die in deze nacht naar het doorgangskamp Westerbork werden gebracht. Onder hen bevonden zich negen kinderen. De jongste was de tweejarige Ronny Bep Pach, die daarvoor samen met haar ouders in Amsterdam had gewoond. Nog geen maand later werd zij samen met haar moeder Sophia vergast in Auschwitz. Haar vader Isaäc kwam een paar maanden later ook om het leven, op een onbekende plek in Oost Europa.

De familie Pach heeft, net als de meeste Joodse gevangenen geen kans gehad om memoires of dagboeken achter te laten zoals we die wel hebben van talloze verzetsmensen. Het is hierdoor veel moeilijker het verhaal van de familie Pach te integreren in de herinnering van het Oranjehotel. We kunnen het verhaal van de ruim tweeduizend Joodse gevangenen slechts reconstrueren met behulp van enkele spaarzame getuigenissen van overlevenden en getuigenissen van niet-Joden die in hun dagboeken optekenden hoe zij ‘s nachts het gehuil van kinderen hoorden en het geschreeuw van de bewakers. Verder zijn we toegewezen op administratieve bronnen, zoals transportlijsten en inschrijfregisters.

Riet Hoogland,  Ernst Cahn, Sjaak Boezeman, Lex Althoff, en Ronny Pach waren allen gevangenen van de Duitse bezetter en verbleven allen enige tijd tussen de muren van de Scheveningse cellenbarak. Hun ervaringen en de betekenis van opsluiting op deze plek liepen sterk uiteen. Voor Riet betekende haar gevangenschap een kort avontuur met onaangename kanten waar ze ook veel waardevols voor terug kreeg – saamhorigheid; respect en het gevoel bij een verzetsgemeenschap te horen. Een avontuur dat goed afliep. Voor Ernst Cahn was het een lijdensweg. Hij werd er de weken voor zijn dood vrijwel dagelijks mishandeld, tot hij op 3 maart 1941 als eerste op de Waalsdorpervlakte werd doodgeschoten. Voor Althoff was Scheveningen een schrikbeeld, de nachtmerrie die hem tijdens zijn verblijf in Haaren tot aan zijn executie op de Leusderheide zou blijven achtervolgen. Voor de tweejarige peuter Ronny Pach het voorstation van haar vergassing in Auschwitz.

Dit is slechts een klein aantal voorbeelden: illustraties van 25.000 ervaringen die eigenlijk allemaal verdienen om verteld te worden. Hoewel dit niet mogelijk is, geven deze voorbeelden wel de mogelijkheid om stil te staan bij de enorme impact die oorlog en politieke gevangenschap op al deze gevangenen heeft gehad. Wat zij deelden was hun onvrijwillige aanwezigheid in een cellenbarak in Scheveningen in het hart van het Duitse vervolgingsapparaat in Nederland. Het besef dat deze zo uiteenlopende biografieën allemaal op deze plaats samenkomen, biedt de mogelijkheid de oorlog ‘in samengebalde vorm’, om Armando’s woorden te lenen, onder ogen te zien.