Portret van Arij Kop - Geuzenserie deel 2

Na het bombardement op Rotterdam van 14 mei 1940 schrijft de Vlaardinger Arij Kop woedend:  ‘Wat daar in Rotterdam is geleden en nog wordt geleden is met geen pijn te beschrijven. Wat is er veel gebeurd sinds ik de laatste brief schreef, we zijn nu geen vrije Nederlanders meer.’ Kort daarna richt Kop samen met de Schiedammer Bernardus IJzerdraat de eerste verzetsgroep van Nederland op, de Geuzen.

‘M’n schoen heb ik gezet, doch de roe zal er wel in komen’

De groep wordt opgejaagd door de Duitse bezetter en op 20 november 1940 wordt Kop thuis gearresteerd. Op zijn arrestantenkaart staat: ‘Wilde aan Westplein 12 niet bekennen. Werd mishandeld (blauw oog) op 21 november 40. Werd op 22 november 1940 opnieuw gehoord en geslagen en geschopt’. Daarna wordt hij naar het Oranjehotel overgebracht en in cel 552 opgesloten. Toch schrijft Kop blijmoedig op Sinterklaasavond 1940 via verstopte briefjes in zijn wasgoed aan zijn vrouw: ‘Nu Pop, het is 7 uur, dus gaan we slapen. M’n schoen heb ik gezet, doch de roe zal er wel in komen, zoals deze weken al verscheidene malen gebeurde. Welterusten hoor, veel liefs!’ Aan zijn kinderen schrijft hij dat ze vooral lief moeten zijn voor hun mama: ‘Want denk erom, anders kom je in ’t gevang, net als Pa.’

Psalm 43:4

In het Geuzenproces wordt Arij Kop samen met zeventien andere Geuzen ter dood veroordeeld. Hoewel drie minderjarige Geuzen gratie krijgen, wordt Kop samen met drie Februaristakers  op 13 maart 1941 gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte. In zijn laatste brief aan zijn vrouw schrijft Arij Kop:

‘Voor de kinderen en voor jou vind ik het verschrikkelijk, dat ik je dat aandoe. Ik hoop dat je mij dit vergeeft, want wij hebben toch niets slechts gewild. Ik heb nog geprobeerd of ik de kinderen mocht zien,  maar dat werd niet toegestaan. Wij hadden dit gisteren niet kunnen denken, zo vol hoop als wij waren. (…) O schat, ik kan het mij nog niet voorstellen en toch gebeurt het met zonsondergang of met zonsopkomst. Wij sterven voor een heilig doel. Maar ach Pop, we zijn nog zo jong. Nu schat, ik eindig met heel veel groeten en kussen en een stevige omhelzing. (…) Het is te erg, maar we sterven als een man. (…) We hebben zojuist met vijftien man nog een psalm gezongen: ‘Nu gaan wij op tot Gods altaren’.’

Dit lied -psalm 43:4- wordt elk jaar op 13 maart gezongen na afloop van de uitreiking van de Geuzenpenning in Vlaardingen. 

Foto: met dank aan Streekmuseum Jan Anderson
Tekst: Hjalmar Teunissen (Stadsarchief Vlaardingen)